‘Oorlog als weldaad’

Zelden zag ik een grotesker monument als op de Place de Quinconces in Bordeaux. Het monstrum is een eerbetoon aan de Girondijnen, een vooraanstaande club politici ten tijde van de Franse Revolutie, afkomstig uit de Gironde, waarvan Bordeaux het bestuurlijk centrum is. Zij beschouwden de republikeinse beginselen als exportproduct en oorlog met de rest van Europa als ‘weldaad’. Velen van hen eindigen in 1793 onder Frankrijks  ‘nationale scheermes’, op initiatief van hun sluwe aartsrivaal  Maximilien de Robespierre. Na veel gesteggel, krijgen ze ruim honderd jaar later alsnog hun erezuil.

Girondijnen zien oorlog als weldaad

Wel of geen oorlog, dát is de vraag. Eind 1791 barst er in de Franse pers en politieke arena een heftig debat over los. De Franse Revolutie, officieel begonnen op 14 juli 1789, is dan krap twee jaar onderweg. De roes na de bestorming van de Bastille lijkt weggeëbd. De koning zit nog op zijn troon, maar wordt op zijn vingers gekeken door een ‘nationale wetgevende vergadering’ die is samengesteld uit rijke burgers, edellieden en kerkvaders. Het politieke spectrum kent drie richtingen: de gematigd revolutionaire Girondijnen, onder leiding van Jacques Pierre Brissot, de radicale Jakobijnen, onder leiding van Robespierre en zijn vriend Georges Danton, en de monarchisten, op dat moment nog veruit het grootste machtsblok.

Ondanks de beloofde omwenteling en de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’, geratificeerd in augustus 1789, lijdt het merendeel van het Franse volk nog steeds een ellendig bestaan. Boeren en arbeiders worden nu legaal onderdrukt door de monarchie, met goedkeuring van de coupplegers die zich vooral om hun eigen hachje bekommeren; eerst in de wetgevende raad, vanaf 1792 in de ‘nationale conventie’. Het ‘democratische’ kiessysteem is zo ingewikkeld en gelaagd dat Jan met de Pet geen schijn van kans heeft. Vrouwen blijven uitgesloten van kiesrecht; de slavernij in overzeese gewesten krijgt ieders zegen. Die brengt immers geld in het laatje.

De situatie is chaotisch. De nog zittende koning treurt vooral over het verlies van zijn zoon; de politieke hoofdrolspelers hebben de grootst mogelijke moeite om knopen door hakken; het volk merkt nog helemaal niets van ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’. Met de regelmaat van de klok breken er bloedige rellen uit. In Parijs én à la campagne, waar de boeren nauwelijks droog brood te eten hebben. En hoe kun je de bestuurlijke impasse het best doorbreken en het volk onder de duim houden? Door een gezamenlijke vijand aan te wijzen en oorlog te voeren.

Girondijnen: oorlog als weldaad

Met name de Girondijnen waren hier hartstochtelijk voor. Meer nog dan de Jakobijnen (de latere Montagnards), waarmee ze een gelegenheidsfront vormden tegen de meerderheid der monarchisten, was er de Girondijnen alles aan gelegen om het volk te blijven knechten. De revolutie was in die eerste fase het speeltje van de aristocratie. Hun ambitie was de absolute macht van de monarchie te doorbreken, ter meerdere eer en glorie van eigen lijf en goed. Dat de ‘gewone man’ scheel zag van de honger zagen de heren afgevaardigden eerder als dreiging dan als onrecht.

Girondijnen: ‘Oorlog is een weldaad voor de mens’

Eind 1791 oreert de voorman van de Girondijnen, Jacques Pierre Brissot (1734-1793), dat de grenzen van Frankrijk bedreigd worden en daarmee de ‘vrije mens’. Hij demoniseert de Oostenrijkse keizer Leopold II en de Pruisische koning Frederik Willem II die jegens Frankrijk grimmige taal zouden hebben gebezigd. In werkelijkheid hadden zij slechts hun zorgen uitgesproken over het lot van de Franse koning. Maar Brissot was een begaafd redenaar. Hij verklaarde dat een oorlog ‘een weldaad was voor de mens’ en dat Frankrijk pas gerust kon zijn als Europa in ‘vuur en vlam stond’. Deze oorlogsretoriek was de oorzaak van de eerste breuk in het vertrouwen tussen de Girondijnen en de Jakobijnen. Dat zou Brissot en zijn kompanen noodlottig worden.

Frankrijk trekt ten strijde. En wie is de klos? De gewone man die transformeert van Jan met de Pet in Jan Soldaat. Dit is wat een eminente Girondijnse politicus, Jean Marie Roland, graaf van Platière (1734-1793), minister van binnenlandse zaken in het kabinet van koning Lodewijk XVI (1754-1793), er in 1792 over zegt: “We moeten de duizenden mannen die wij onder de wapens hebben zo ver laten marcheren als hun benen ze dragen kunnen; anders komen ze terug om onze kelen open te snijden!”

Girondijnen: oorlog als weldaad

De oplettende lezer heeft een overeenkomst gezien in de overlijdensdata van Jacques Pierre Brissot, Jean Marie Roland en Lodewijk XVI en denkt: dat kan nooit toeval zijn. En dat is het ook niet. De oorlog put Frankrijk uit, de schatkist raakt leeg, tegenstellingen tussen de revolutionairen verscherpen zich. Het ‘gepeupel’ bestormt op 10 augustus 1792 de Tuilerieën, de ‘sansculotten’ en de Commune van Parijs – het revolutionaire stadsbestuur – roeren zich. De sluwe Robespierre weet ternauwernood een contrarevolutie te voorkomen door de opstandelingen tegemoet te komen en met grote beloften voor zich te winnen. Een zondebok is snel gevonden.

Girondijnen trekken aan het kortste eind

Als eerste is Lodewijk XVI de pineut. Hij wordt afgezet, gevangen genomen, vernederd en veroordeeld. Op 21 januari 1793 verliest hij zijn hoofd onder het ‘nationale scheermes’, de gevreesde guillotine. Vervolgens richt het revolutionaire venijn zich op de Girondijnen. Op 2 juni wordt de nationale conventie omsingeld. Een aantal Girondijnen weet te ontsnappen, enkelen komen er redelijk af met huisarrest. De harde kern wordt onder luid gejoel afgevoerd en belandt in het gevang. Na een vorstelijke laatste maaltijd, doorklieft het nationale scheermes op 31 oktober de goed verzorgde halzen van 21 Girondijnen.

Het duurt even voor Bordeaux zijn stadsgenoten eert met een monument. Een ontwerp van ene Julien Guadet, architect en achterneef van één van de onthoofde gedeputeerden, wordt tentoongesteld tijdens de Salon de Paris van 1870, maar nooit gerealiseerd. In 1881 staat de wenselijkheid van een monument opnieuw op de agenda, maar geeft het stadsbestuur voorrang aan de bouw van een fontein van de vermaarde Franse beeldhouwer Auguste Bartholdi (1834-1904). Bordeaux en Bartholdi vliegen elkaar echter algauw in de haren over de prijs. De fontein verdwijnt naar Lyon en dat opent de weg naar de oprichting van het Monument aux Girondins.

Bordeaux slaat twee vliegen in één klap door te kiezen voor een monument mét fontein. De bouw neemt acht jaar in beslag; van 1894 tot 1902. Het feitelijke monument bestaat uit een 43 meter hoge zuil met daar bovenop een 11 meter hoge bronzen vrouwfiguur met vleugels die de vrijheid symboliseert. De zuil wordt geflankeerd door twee fonteinen, opgebouwd uit enorme bronzen beeldengroepen. Met dit bombastische ensemble eert Bordeaux alsnog zijn ‘martelaren’ – een select gezelschap rijke heren die de Franse Revolutie misbruiken om hun eigen belangen te dienen, die Europa ‘in vuur en vlam’ zetten om de aandacht af te leiden van de binnenlandse onrust, en die duizenden jonge mannen naar het front sturen om afgeslacht te worden. Ik kijk ernaar en denk: niks nieuws onder de zon.

Girondijnen: oorlog als weldaad