Lopen op cognac

In 2001 maken mijn vrouw en ik een meerdaagse wandeling door de Creuse. Bij gebrek aan deugdelijke pleisterplaatsen, leggen we dagelijks meer dan 30 kilometer af. Geen sinecure voor de ongeoefende loper die ik was. De derde ochtend reeds stort ik in. Ik ga een café binnen en bestel een glas cognac. Er voltrekt zich een wonder.

Lopen op cognac

Warme herinneringen aan dit wonder dienen zich aan tijdens een bezoek aan Cognac, op doorreis naar de Atlantische kust. Ik verwacht een stad aan te treffen waar alles pracht en praal is en de straten bij wijze van spreken geplaveid zijn met goudgele klinkers. Niets is minder waar. De vriendelijke stad waar Frankrijks beroemdste eau de vie zijn naam aan ontleent, is een toonbeeld van eenvoud. Hoewel, er is een winkel, La Cognathèque genaamd, waar discreet doch schaamteloos flessen van € 5000,- staan uitgestald. Achter glas, dat wel.

165 miljoen flessen

Van alle sterke dranken die Frankrijk produceert, voert cognac sinds jaar en dag de exportlijst aan. Bordeauxwijnen en champagne staan op de tweede en derde plaats. Jaarlijks steken ruim 165 miljoen flessen cognac de grens over. Daarvan belanden er alleen al in de VS zo’n 65 miljoen. In met name Angelsaksische landen is cognac populairder dan in het land van herkomst. De exportwaarde loopt in de miljarden. De wijnboeren uit de streek, de Charente en Charente-Maritime, leven er goed van. Maar noch de streek, noch de stad Cognac doet aan uiterlijk vertoon. Wat niet wegneemt dat Cognac een aardige stad is om doorheen te wandelen.

In het kleine middeleeuwse centrum, vlak achter een kade die vernoemd is naar Richard Hennesy, een Ierse officier nota bene, die diende onder Lodewijk XV en het beroemde Franse cognac-imperium stichtte dat nog steeds aan dezelfde kade gevestigd is, vinden we een museum dat geheel gewijd is aan de kunst van cognac maken. Daar lees ik op een sfeervol informatiepaneel dat cognac, de meest geëxporteerde sterke drank van Frankrijk, zijn oorsprong dankt aan ons, Nederlanders!

‘Gebrande wijn’

De omgeving van Cognac werd in de 17de intensief bezocht door handelaren uit de Hollandse gewesten, die op het ‘witte goud’ afkwamen, het zout van de Charente. Ze lieten zich de witte wijn van de streek goed smaken en namen op de terugreis de nodige tonnetjes mee om in het thuisland te verhandelen. Maar ze merkten dat de wijn aan kwaliteit inboette door de lange reis en het deinen van het schip. Dat moest slimmer kunnen. Wat als we die druiven gaan benutten om er iets pittigers van te maken?, dachten de praktisch ingestelde Hollanders.

De plaatselijke wijnboeren lieten zich overtuigen en stortten zich op het telen van druiven die een wijn oplevert, die te zuur is om te drinken, maar des te beter geschikt om te distilleren. Zo ontstond de vin brûlé, brandewijn op zijn Hollands. Dat verklaart waarom Engelsen het vaak over brandy hebben, als ze cognac bedoelen. Het is een verbastering van ‘brandewijn’. De Hollandse handelaren sloegen drie vliegen in één klap: de kwaliteit van hun brandewijn had niet te lijden onder de reis, de drank kon in kleinere volumes voor meer geld worden verhandeld, je hoefde er minder van in te nemen om de lange, saaie zeereizen in een aangename roes te ondergaan.

Geen romantiek maar logistiek

Het is even slikken. Achter de schepping van die godendrank zit geen greintje romantiek. De creatie van cognac mag tot kunst verheven zijn, in essentie is het een logistiek verhaal. Meer niet. Wel verklaart de ontstaansgeschiedenis mijn keus voor een glas cognac, die derde ochtend van onze meerdaagse wandeling door de Creuse, toen ik geheel uitgewoond een plaatselijk café binnen strompelde. Mijn keus was simpelweg genetisch bepaald. Ging ik er ook beter van lopen? Geenszins. Maar de cognac vloeide aangenaam door mijn aderen en leidde de aandacht af van mijn hevig brandende voetzolen, waar zich in twee dagen tijd zeeën van blaren hadden gevormd. Ik vroeg de kastelein mijn veldfles te vullen met cognac en nam sindsdien iedere ochtend voor aanvang van de wandeling twee glaasjes. Voor het moreel.