Jachtverhaal voor oude bokken

Jachtverhaal voor oude bokken

Mogen we mensen die lijden aan het leven omdat ze er ‘klaar’ mee zijn een handje helpen? Ik vind van wel. Het recht op zelfbeschikking is, dunkt me, het ultieme bewijs van vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en volwassenheid. Nederland is in die zin een baken. Frankrijk loopt hopeloos achter. Wat me doet denken aan een uitzonderlijk jachtverhaal.

Jachtverhaal voor oude bokken

In de Franse wetgeving geldt ‘euthanasie’ als taboewoord. De wet van Leonetti (2005) verbiedt weliswaar het ongelimiteerd voortzetten van medische behandeling, maar stelt paal en perk aan actieve euthanasie. Dat staat gelijk aan doodslag en kan je duur komen te staan. Dat ruim 90% van de Fransen dit volgens de ADMD, de Franse euthanasievereniging, zeg maar, graag anders geregeld zou zien, lapt de Franse wetgever aan zijn laars.

De dood op bestelling

Aan de Franse keukentafel is vrijwillige levensbeëindiging prima bespreekbaar. Men volgt de ontwikkelingen in Nederland met een mengeling van jaloezie en bewondering, merk ik. Omdat ik Nederlander ben, vraagt men dikwijls naar mijn mening. Vaak blijkt het beeld te bestaan dat de dood in Nederland op bestelling wordt geleverd. Dat beeld nuanceer ik, uiteraard. Soms proef ik dan lichte teleurstelling.

Onlangs kwam het thema ter sprake tijdens een copieuze maaltijd bij voormalige buren die wij inmiddels beschouwen als onze ‘Franse familie’. De familie bestaat uit opa (96), oma (86), dochter (middelbare leeftijd) en wat opgeschoten jongelui die niet te bewegen zijn het nest te verlaten. Niemand durft ze een schop onder hun achterste te verkopen.

Vooral oma lijkt geobsedeerd door het al dan niet vrijwillig gekozen einde. Uit de krant, van de televisie en door bezoekjes aan het bejaardencentrum kent ze afschuwelijke voorbeelden van mensen wier leven misdadig lang wordt gerekt, ondanks de meest weerzinwekkende kwalen en gebreken en de bij volledig verstand eindeloos herhaalde wens om in godsnaam te mogen sterven. Mag niet. Daar gaat alleen god over. Oma vindt dat godgeklaagd en meent dat het ‘bij ons’ – ze bedoeld dan in Nederland – goed geregeld is.

‘Liever nu dood dan morgen naar het bejaardentehuis’, zegt ze theatraal.

‘Wat?’ zegt opa, ‘gaan we morgen naar het bejaardentehuis’?

‘Pappa!’, roep de dochter van middelbare leeftijd, ‘la gueule’. Omdat ze niet zeker weet of pappa haar hoort, brengt ze een vuist naar haar mond en maakt ze een verduidelijkend gebaar. ‘Op slot die mond’. Opa, die wat doof is en lichtelijk vergeetachtig, moet zijn muil houden. Dat is al jaren zo. Hij trekt zich daar niets van aan en wil nog lang niet dood.

‘Er is een oplossing’, zeg ik vrolijk. Wijn maakt me loslippig en de zwaarte van het onderwerp vraagt om een lichtvoetige noot. Bovendien ben ik nooit te beroerd om de pias uit te hangen.

Luister naar mijn jachtverhaal

‘Fransen houden van jagen, toch?’,  opper ik retorisch. Alle ogen zijn op mij gericht. Ik doe mijn plan voor het ‘Nationale Oude Bokken Jachtfestijn’ uit de doeken, een jachtverhaal dat ik al eens eerder aan een kladje toevertrouwde. Omdat sterven past bij de herfst, kiezen we een vaste dag in oktober. Dat geeft houvast. Laten we de naamdag van Judas Taddeüs nemen, de beschermheilige der hopelozen, 28 oktober. Dan hebben we net de klok teruggezet en begint het korten van de dagen op ons gemoed te werken.

Tijdens het Nationale Oude Bokken Jachtfestijn, op 28 oktober dus, begeeft iedereen van 75 jaar en ouder zich vrijwillig naar de gemeentelijke bosrand. Daar wordt men feestelijk opgewacht door de burgemeester en de lokale jachtvereniging. De kandidaten worden geteld, gloedvol toegesproken en bedankt voor bewezen diensten. Zodra de burgemeester drie stoten op zijn jachthoorn geeft, rennen of strompelen de gelukkigen het bos in. Ze krijgen een voorsprong van vijf minuten. Dan stoot de burgervader nog eens drie maal op zijn hoorn. De jagers zetten de achtervolging in en schieten op alles met twee benen. Er geldt geen quotum. Wie het overleeft, wordt benoemd tot ereburger en krijgt het volgende jaar een herkansing met een handicap.

‘Opgelost’, zeg ik, alsof ik een plan presenteerde dat op slag en definitief afrekent met alle acute wereldproblemen. Ik kijk voldaan rond.

Oma kijkt me aan alsof ik niet goed snik ben. De dochter van middelbare leeftijd schudt haar hoofd en schenkt haar glas nog eens vol. Het is opa die de pijnlijke stilte doorbreekt:

‘Wat? Gaan we morgen jagen?’