Ik was in La Courtine

In september 2001 maken we een meerdaagse wandeling door het hart van Frankrijk. De tocht is bedoeld om ons nieuwe territorium te verkennen – de Creuse, land van ontvolking en armoe; van sjouwers en metselaars die hun steentje bijdroegen aan het ‘nieuwe Parijs’ van Georges-Eugène baron Haussmann; land van ‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’. In alle opzichten vieren we wandelend la vie en rose. Tot die dag in La Courtine.

9/11 in La Courtine

Een surrealistisch visioen

Versleten maar voldaan komen we op 10 september 2001 aan in La Courtine. In de vroege avond van een warme dag. We gingen die morgen van start in Aubusson, waar in de middeleeuwen de tapijtweefkunst floreerde. Over de doorgaande weg liepen we via Felletin het woeste, regionale park van Millevaches in. Daar pikten we het opgeheven en sterk verwaarloosde treinspoor naar het eens zo roemruchte legerkamp op. De rails liggen er nog; nostalgische spoorhuisjes met kapotte ramen herinneren aan betere tijden. Hoewel, ‘beter’, La Courtine beleefde zijn hoogtijdagen ten tijde van de Koude Oorlog, die andere episode van collectieve angst en hysterie.

La Courtine en de kunst van het zieltogen

Om ons met oefening en discipline voor te bereiden op ‘de Rus’, die nooit kwam, reisden tussen 1959 en 1964 tienduizenden Nederlandse dienstplichtigen via deze zelfde spoorlijn naar La Courtine. Jonge jongens, nog nat achter de oren. In Gare du Nord, een verhalenbundel uit 2004, haalt Philip Freriks een citaat aan van een verslaggever uit die dagen.

“In een tijd dat vakanties hooguit naar Schoorl, Nijverdal of Drunen gingen en stokbrood en wijn onder het hoofdstuk exotisch vielen, had het midden tussen beekjes, bossen en heuvels gelegen La Courtine de deinende klank van les beaux yeux, chansons en al het andere dat Frankrijk zo zacht en levendig maakt. De werkelijkheid was minder poëtisch. Er viel niets te beleven.”

Niets te beleven. Toen al niet. Laat staan in 2001, als het kamp nog slechts bevolkt wordt door een handvol Franse militairen. Meer voor de vorm dan dat ze er iets zinvols uitspoken, lijkt het. Als er al een dorp is dat de kunst van het zieltogen tot in haar diepste vezels verstaat, is het La Courtine. Er is nog een enkel café, er is een hotel, er is een groenteboer die niet wil weten van wijken en voor zijn winkel een gedenkwaardige collectie cèpes heeft uitgestald.

Beste ouders, lieve Ine…

Als hij er lucht van krijgt dat wij Hollanders zijn, raakt hij niet uitgepraat over ‘die goeie ouwe tijd’. Die jongens uit de lage landen brachten leven in de brouwerij. Ze zaten achter de meiden van het dorp aan en deden de kassa’s rinkelen. Er was in die dagen zelfs een café dat ‘Amsterdam’ heette. Je kon er ‘s middags spiegeleieren met brood eten. Die tijd, bezongen door Rijk de Gooyer, komt nooit meer terug. ‘Beste ouders, lieve Ine, Ik schrijf dit uit La Courtine. Dat was lachen onder het eten, onze generaal is door een slang gebeten.’

Na een straffe maaltijd in het oudste hotel van La Courtine – het hotel bestaat nog steeds en heet Le Bacchus – zoeken we slaperig onze kamer op. We zijn nu negen dagen onderweg. Gemiddeld leggen we 20 tot 30 kilometer per dag af, wat voor mij soms een hel is als ongeoefend wandelaar. De eerste dagen had ik blaren onder mijn voeten als kleine, kolkende meren, en legde ik de eerste ochtendkilometers steeds strompelend af.

We begonnen in Fresselines, in het noorden van de Creuse, het kunstenaarsdorp waar Claude Monet halverwege de 19e eeuw de boel op stelten zette. We volgden de kleine Creuse, sliepen in het klooster van Bétête, en liepen steil omhoog naar het obscure Toulx-Sainte-Croix. Via Moutier d’Ahun met zijn sierlijke Romaanse brug liepen we de Vallei van de Creuse binnen, door naar Aubusson, door naar Felletin, door naar La Courtine, via het treinspoor van weleer.

La Courtine in staat van paraatheid

Die ochtend van 11 september is mijn vrouw vroeg uit de veren. Ze gaat proviand halen voor de volgende etappe. Die brengt ons naar Féniers, naar de bron van de Creuse, het symbolische doel van onze voettocht. Ik mag nog wat blijven liggen. Mijn vrouw komt in een opperste staat van opwinding terug. Ze doet verslag.

In de straten van La Courtine, die gisteren uitgestorven waren, heerst nu een drukte van belang, hoor ik uit de eerste hand. Iedereen is met iedereen in gesprek. Waar het over gaat, is slecht te volgen. De toon klinkt zorgelijk, onheilspellend. Achter de hekken van het legerkamp lijkt alles in beweging. Het is of La Courtine wakker is geschud en in staat van paraatheid verkeert. In de lobby van het hotel zit een groep mannen en vrouwen aan een enorm beeldscherm gekluisterd. Men kijkt onthutst naar een of andere Amerikaanse rampenfilm.

We zetten de tv aan en zappen naar CNN News. We geloven onze ogen niet bij het zien van het surrealistische visioen dat eindeloos wordt herhaald. In de korte tussenpozen doen aangeslagen reporters verslag van het onvoorstelbare. Helemaal doorgronden doen we het nog niet. De werkelijkheid van de in vertraging afgespeelde beelden dringt stroperig tot ons door. We zijn er nog niet klaar voor. Wel dient zich het nauwelijks te verklaren besef aan dat de wereld nooit meer hetzelfde zal zijn als hiervoor. De bron van de Creuse laten we voor wat hij is. We keren huiswaarts. Met een taxi. En een bezwaard gemoed.