Er zit een patjepeeër in mijn tuin

De rust is radicaal verstoord. Ons lustoord tussen de Franse heuvels gaat gebukt onder terreur. Had ik de natuur zijn gang maar laten gaan. Maar nee, bij het intreden van de winter moest ik zo nodig een handje helpen. En nu zit er een patjepeeër in mijn tuin. Krijg die er maar eens uit.

 

Er zit een patjepeeër in mijn tuin

 

Kort geleden las ik Het Vogelhuis. Hierin vertelt Eva Meijer het verhaal van Len Howard, een Engelse muzikante en natuuronderzoekster die zich de tweede helft van haar leven terugtrok op het platteland om het gedrag van tuinvogels te bestuderen. Ze zette haar domein vol voederplanken en nestkastjes. Met veel vogels, vooral kool- en pimpelmezen, bouwde ze een warme band op. Zonder schroom vlogen de vogels bij haar binnen. Dat ze de boel onderscheten, nam ze voor lief.  Haar bijzondere observaties, doorgegeven door Eva Meijer, leveren een herkenbaar verhaal op van geldingsdrang, ontrouw, jaloezie en behaagzucht.

‘Eindelijk een hobby, een passie!’

‘Dat wil ik óók!”,  riep ik toen ik het boekje uit had. ‘Wat zegt het?’, vroeg mijn vrouw. Ik deelde de inhoud van het boekje en de wens om onze tuin met voederplanken extra vogelvriendelijk te maken. Dit kon wel eens een hobby worden, of zelfs een passie. Maar ik ging eerst een tukje doen en de dagen daarna viel er veel schrijfwerk te verzetten.

Na een kleine week echter, riep mijn vrouw vanuit de schuur, door Nederlanders in Frankrijk vaak aangeduid als atelier, of ik een momentje had. Ik was verbluft. Mijn vrouw, de handige van ons twee, had een paar oogstrelende overkapte voederplanken en zaadschommels in elkaar getimmerd en met ecologisch verantwoorde lak afgewerkt. Ik kon mijn geluk niet op.

In korte tijd vlogen de vinken, mezen en mussen af en aan. Ze waren zichtbaar in hun sas met het zaad en vet dat ik iedere morgen over de voederplanken en zaadschommels verdeelde. Naarmate het kouder werd, voerde ik de porties op. Iedereen kwam aan zijn trekken. Er was genoeg. Ze zaten elkaar geen haarbreed in de weg. Integendeel. Ik ben geen vogelconnaisseur, maar volgens mijn waarneming roepen kool- en pimpelmezen hun vrienden en familie erbij en wijzen ze elkaar speels de weg. Het ging er vrolijk aan toe en ik genoot van mijn nieuwe liefhebberij.

‘Oplazeren!, hoor je hem tweeten’

Tot de roodborst zich meldde. Wat een irritante en arrogante vogel is dat! Wat een windbuil! Zodra hij zich op de voederplank vertoont, is er herrie in de tent. Hij zet zijn rode borst op en foetert iedereen die in de buurt durft te komen uit. ‘Oplazeren!’, hoor je hem tweeten. Wie zich niet snel genoeg uit de voeten maakt, kan rekenen op een frontale aanval. Hij terroriseert niet alleen vogels van andere pluimage, maar ook zijn eigen volk. ‘Me first’, is zijn credo.

De roodborst is een patjepeeër. Hij doet me denken aan die types die meteen hekken en afrasteringen plaatsen rond hun stukje grond in Frankrijk en je aankijken met een blik van ‘mot je wat?’ Van die gasten die zich iedere avond klokslag 10 in een Gerard Joling-jack hijsen en als buurtwacht de straat op gaan, uitgerust met een staaflamp van een meter. Ze tikken op je raam en roepen: ‘alles kits, buurman, nog iets verdachts gezien?’ Dan vervolgen ze hun ronde. Met de borst vooruit.

Het was zo vredig en evenwichtig in onze tuin tussen de Franse heuvels. Ons leven kabbelde aangenaam voort, in een oase van rust en verdraagzaamheid. Tot die verongelijkte driftkop verscheen, die patjepeeër die geen indringers duldt en al helemaal geen tegenspraak. We noemen hem Trump. Het is een onaangename vogel en om hem weg te krijgen, stoppen we met voeren. Mijn gevoel van hoop en perspectief kreeg een lelijke knauw. Minstens zo erg is: ik heb geen hobby meer!