De oude Jean

Ons leven in Frankrijk begon in een minihuis, middenin een plattelandsgehucht. Het bestond uit twee etages, elk met een ruimte van net geen zestien meter in het vierkant. Beneden zat achter het leefvertrek nog een minuscule, taps toelopende keuken. Het leefvertrek zelf werd gedomineerd door een reusachtige eiken schouw, de cantou. Het oliefornuis dat eronder stond toen we het huis kochten, vervingen we door een kleine, geëmailleerde houtkachel.

De oude Jean

Zonder hout heb je niets aan een houtkachel. Dus ging ik aan het einde van onze eerste zomer in ons eigen Franse huis te rade bij de oude Jean, onze beminnelijke overbuurman. Jean was eigenaar van enorme percelen bos. Zag je hem niet bezig in zijn moestuin of aardappelveld, dan was hij wel ergens druk met rooien, klieven, zagen of stapelen.

‘Lekker warm hier!’

Ik klopte aan en hoorde een tweestemming ‘Entrez!’. Binnen trof ik Jean en zijn vrouw Yvonne knus aan de keukentafel. Achter Yvonne gloeiden wat houtblokken in een open haard onder net zo’n cantou als de onze. Na het uitwisselen van de gebruikelijke hartelijkheden, waarbij ik bewust zei: ‘Lekker warm hier!’, legde ik uit dat we een houtkachel hadden geïnstalleerd en vroeg waar we terecht konden om stookhout te kopen. Niet Jean antwoordde, maar Yvonne. ‘Kopen?’, zei ze, ‘niets ervan. Voor zo’n klein huisje, stel je voor! U bent hier niet eens de hele winter. Dat hout krijgen jullie van ons, toch, Jean?’ De oude Jean knikte en zei: ‘Zullen we dan nu een aperitief drinken?’

De volgende morgen stond Jean in alle vroegte met een draaiende tractor voor ons huis. Ik schoot snel een broek en trui aan. ‘Allez’, zei Jean, zodra ik mijn hoofd om de deur stak, ‘laat zien hoe groot uw kachel is.’ Hij stapte naar binnen, begroette mijn vrouw, en monsterde onze aanwinst. ‘Dat worden kleine stukjes’, zei hij droog, ‘allez!’. Hij wenkte in de richting van de draaiende tractor. Ik begreep dat ik ondanks het onmenselijke uur geacht werd te helpen. ‘Ga maar snel, ouwe houthakker van me’, zei mijn vrouw met een vals glimlachje. ‘Heb ik straks koffie voor jullie.’

Jean besteeg zijn tractor, nam plaats achter het stuur, en wenkte naar een beugel naast het zadel. ‘Ça va?’, riep hij, boven het motorgeronk uit. Ik zat nog niet, of hij liet de koppeling vieren en gaf gas. We reden naar een buiten het dorp gelegen schuur, waar, tussen stapels stammen, een vervaarlijke bladzaaginstallatie stond opgesteld. We werkten alsof we al jaren een team vormden – het beste zaagteam van de Creuse. Ik gaf de stammen aan; Jean duwde ze vier tot vijf keer door het gierende zaagblad. Al die tijd, zag ik, hing aan zijn neus een waterige bel. Ik kreeg er schik in. In gedachten deed ik stiekem of de oude Jean mijn opa was en de Creuse mijn geboorteland.

Enkele dagen later, het hout hadden we keurig verdeeld over de konijnenhokken langs ons woninkje, gingen mijn vrouw en ik bij Jean en Yvonne op visite. We namen een envelop met een kleine vergoeding mee. Jean wilde van niets weten. Hij wierp de envelop met een woest gebaar op de keukentafel. Yvonne griste de envelop weg en borg hem op in de zak van haar schort. Dit ritueel zou zich nog heel wat keren herhalen. Want Jean werd onze vaste leverancier en ik zijn vaste hulpje.

‘Op eigen benen’

Maar er komt een moment, vind ik, dat je op eigen benen moet staan. Na vijf jaar vond ik het mooi geweest. Jean werd een dagje ouder en regeren is vooruitzien. Ik kocht een stoere kettingzaag. Dan hoefde Jean alleen nog stammen te leveren die hij standaard in lengtes van een meter klaar had liggen. De rest kon ik zelf. Ik zag er wel tegenop hem dit mee te delen. Zou hij niet beledigd zijn? Zou hij de band die we hadden opgebouwd met het gezamenlijke zaagritueel niet enorm missen? Keek hij niet ieder jaar uit naar die ene ochtend met zijn ‘kleinzoon’ uit Nederland? Ik móest het gaan vertellen, maar bleef maar uitstellen.

Op een mooie nazomerse avond zag ik Jean van verre komen aanslenteren. Mijn vrouw en ik zaten genoeglijk in het minituintje voor ons huis. Jean begroette ons even vriendelijk als altijd en zei: ‘Wat dacht u ervan, morgenochtend zagen?’ Ik begon onhandig te stamelen en legde omstandig uit dat ik het dit jaar eens anders wilde doen. ‘U wordt per slot van rekening een dagje ouder.’

‘Mooi’, zei Jean, zeer nuchter. ‘Dan neem ik aan dat u ook een goed adres heeft om voortaan uw hout te kopen.’ Hij schonk ons zijn kalme, geruststellende glimlach, wenste ons een goedenavond, draaide zich om en slenterde heen.

Zijn tred leek lichter dan ooit.