Een lichtpunt voor de dode zielen

Een lichtpunt voor de dode zielen

Noem het een ritueel. Rond Allerzielen onderneem ik de klim naar Saint-Goussaud, vijf kilometer van huis, op zevenhonderd meter hoogte. Over de slingerende bosweg, via het slaperige dorp Champegaud,  doe ik er een goed uur over om mijn eindhalte te bereiken: de Lanterne des morts. Vroeger werd in de top van de elegante dertiende-eeuwse toren na zonsondergang een vlam ontstoken. Het lichtpunt diende de dode zielen tot baken. Waar ze ook rondspookten, van verre zagen ze: daar is mijn rustplaats.

Een lichtpunt voor de dode zielen

 

Waarom weet ik niet, maar de meeste bewaard gebleven dodenlantaarns bevinden zich in de Limousin. Die van Saint-Goussaud behoort tot de mooiste exemplaren. Rond de toren lag in vroeger tijden naar alle waarschijnlijkheid een knekelveld. Dat is nu leeg.  Dat maakt de plek extra mistroostig, zeker in de herfst, als de omgeving in nevelen gehuld is. Het nevelt vaak en lang in het laaggebergte van Saint-Goussaud. Je voelt gewoon dat de dood alomtegenwoordig is – Hein houdt zich eerbiedig stil, maar ik ben op mijn qui-vive.

Meestal, als ik de eindhalte heb bereikt, dwalen mijn gedachten als eerste af naar mijn moeder, zoals dat hoort, rond Allerzielen. Zij overleed in 1998. Zij stierf een ongelukkige huisvrouwendood. Terwijl ze een pan op het vuur wilde zetten, knapte er in haar hoofd een leidinkje. Mijn vader, gealarmeerd door het gekletter, vond haar op de keukenvloer, bij een plasje water en acht geschilde piepers. Zij werd ijlings naar het ziekenhuis getransporteerd, waar ze een kleine week in coma lag. Om beurten hielden we de wacht, tot ze, kort voor kerstmis, de geest gaf. Mijn vrouw en ik waren die nacht aan de beurt. Mijn moeder schoot overeind, kneep mijn vrouw die naast haar aan bed zat hardhandig in haar arm, viel terug in het ziekenhuiskussen, en blies fluisterend haar laatste adem uit. Mijn vrouw zag als reactie op deze laatste stuiptrekking – iets anders kan het niet geweest zijn – voor even witter dan mijn moeder.

‘Daar vind je wat, hier laat je wat’

Ik denk in het bijzonder aan mijn moeder, omdat zij zich niets kon voorstellen bij mijn al vroeg gewortelde idee om ooit naar Frankrijk te verkassen. Als het idee ter sprake kwam, vatte ze de conversatie steevast als volgt samen: ‘Ach, daar vind je wat, hier laat je wat.’ Daarmee was de kous voor haar af. Dat we op een goede dag werkelijk voorgoed vertrokken, mijn vrouw en ik, maakte mijn moeder niet meer mee. Mijn vader wel, want die overleed wat later.

Mijn moeder hoefde nooit ergens heen. Ze deed haar dagelijkse boodschappen bij de buurtsuper en pendelde noodzakelijkerwijs op haar onafscheidelijke sloffen tussen de woonkamer en de keuken, wat haar uiteindelijk fataal werd. Het liefst zat ze. Meer en meer leek ze te versmelten met de lederen kussens van haar robuuste luie stoel uit Oisterwijk, opgesteld in de richting van de kleurenteevee.

Ik herinner me dat ze niet graag gestoord werd als ze vroeg in de avond naar The Bold and the Beautiful keek, dat tussen 1990 en 2006 werd uitgezonden door RTL4 en sinds kort terug is van weggeweest. Wat haar zo intrigeerde aan deze soap was en is me een raadsel. Ik heb er nooit naar gevraagd. Thuis was ze veilig, mijn moeder, thuis, in haar eigen wereld, die ons, nadat we het ouderlijk huis verlieten, steeds onbekender werd. Kwamen we langs, dan reageerde ze eerder verstoord dan verrast. Ze trok wel bij, uiteindelijk, maar de motor moest op gang komen.

Vakantiepaniek

Uit mijn jeugdjaren herinner ik me dat bij mijn moeder meteen paniek uitbrak zodra de datum was vastgesteld waarop we in gezinsverband op vakantie zouden gaan, met een vouwwagen achter de Opel Kadett. Ze begon dan verwoed te hamsteren voor ‘onderweg’. De vouwcaravan werd volgestampt. Bij vertrek moest mijn moeder onder dwang in de auto worden geduwd. En dan snel het portier dicht. De gehele reis, soms tot diep in Oostenrijk, hield ze haar rechterhand angstvallig om de handgreep boven het zijraam geklemd.

Vakantie was voor mijn moeder bepaald geen verzetje. Dat leek later, bij de eerste lichting kleinkinderen, iets te verbeteren. Bij de tweede lichting zakte het kwik alweer snel tot onder het vriespunt. Uiteindelijk gaf mijn vader het op. In haar hele leven heeft mijn moeder slechts twee keer gevlogen. Om mijn zus en haar gezin te bezoeken in Tanzania, waar ze waren neergestreken vanwege een tweejarig bouwproject waar mijn zwager bij betrokken was. Eens maar nooit weer, wat mijn moeder betrof. En Tanzania? Veel te warm.

Langzaam dooft het kaarsje

Waren er meer moeders geweest zoals mijn moeder, dan had het met de opwarming van de aarde zo’n vaart niet gelopen, denk ik, terwijl ik de Lanterne des morts achter mij laat. De mist lost op. Ik passeer de chaletachtige bistro van Saint-Goussaud. Hij staat alweer lange tijd te huur. De laatste poging om er iets van te maken, werd ondernomen door een Engels, wat wereldvreemd stel. De eerste weken kwam er wel wat klandizie. Uit nieuwsgierigheid. Langzaam doofde het kaarsje. Zo gaat dat al jaren, in de Creuse. Ik loop langs de kerk en de ‘nieuwe’ begraafplaats die is omgetoverd tot een lustoord. Op alle zerken bloeien weelderige chrysanten, het is een zee van kleuren. Frankrijk wil niet treuren om zijn doden, maar viert de gedachte dat ze eindelijk, na een trage martelgang in het vagevuur, mogen verschijnen voor Gods aangezicht. Het klikt als een troostrijk idee, maar ik geloof ik er geen snars.

 

 

 

 

Nederlandse wijn

Amerikaanse kreeft, Nederlandse wijn, Franse tafelgenoten

Of we straks écrevisses kwamen eten, rivierkreeftjes. Pierre, onze naaste buurman, sprak ons aan bij het tuinhek en toonde een emmer vol krioelende schaaldiertjes. Net gevangen.

Het betrof de Amerikaanse soort, begreep ik, die eind negentiende eeuw in Europa terechtkwam en zich sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw in een razend tempo reproduceert. Hij heeft de inheemse rivierkreeft nagenoeg verdrongen. Daar mag nog maar eens per jaar op gevist worden en dit jaar mocht zelfs die ene dag niet, omdat het uur u voor deze autochtoon in de Franse zoete wateren geslagen heeft.

Nederlandse wijn

Rond zevenen meldden wij ons in de tuin van onze geliefde buren. Inderhaast hadden wij twee flessen witte wijn van Hollandse bodem meegenomen, één mousserende en één ‘gewone’, die we enige tijd geleden van Nederlandse gasten cadeau kregen. Om eens te proberen.

Levend in de kokende court-bouillon

Onze gastvrouw nam de wijnen dankbaar in ontvangst en beloofde ze koel te zetten. Intussen zat Pierre met een emmer tussen zijn benen aan de rivierkreeftjes te trekken. Iets bij hem vandaan stond in een reusachtige pan een geurige court-bouillon te pruttelen op het vuur van een paella-gasbrander. Daar gingen de kreeftjes straks in, schatte ik, de situatie overziend. Levend, waarschijnlijk.

De buurvrouw schonk een aperitief en we brachten een heildronk uit. Pierre nam de emmer weer tussen zijn knieën  en zette zijn werkzaamheden voort. Hij droeg dunne, witte verplegershandschoenen. Ik keek toe hoe hij telkens een kreeftje tussen duim en wijsvinger nam, zodanig dat de scharen geen vat op hem hadden, en met de nagels van de duim en wijsvinger van zijn andere hand bij het staarstuk aan een minuscuul klepje trok, na dit een korte slag gedraaid te hebben.

Minder dreigend en energiek

Met elke trekbeweging kwam steeds een zwarte, wat slijmerige draad naar buiten. Het darmkanaal, begreep ik. Ieder behandelde exemplaar belandde in een emmer die naast de buurman stond. Daar krioelden de beestjes nog wat rond. Hun scharen knipten minder dreigend en energiek dan toen Pierre ons die namiddag zijn emmer toonde.

‘Doet dat geen zeer?’ vroeg ik.

‘Nee hoor’, zei Pierre, ‘ik voel er niets van.

Zoals ik al verwachtte eindigde het leven van de écrevisses in de kokende court-bouillon. Ze kleurden meteen schitterend rood. De buurvrouw zette kommen met zelfgemaakte mayonaise en rouille op tafel en la grande bouffe kon beginnen. Nou ja, grande… héél veel vlees zit er niet aan, aan die kreeftjes.

Franse lof voor Nederlandse wijn

Voor we gingen peuteren werden de glazen vol geschonken met onze Nederlandse witte wijn. Ik hield mijn hart vast, want het was met enige schroom dat we de flessen meenamen. Nederlandse wijn in Frankrijk, dat is een waagstuk. Maar onze Franse tafelgenoten waren vol lof, ook over de tweede fles die iets later ter tafel verscheen. Pierre maakte foto’s.

Het werd een verdraaid gezellige avond met veel lichtvoetige kout, afgesloten met een paar glazen zeer smakelijke Caraïbische rum. De bak met schaaldiertjes raakte allengs leger en leger. Ruim na middernacht namen we afscheid.

We hadden weer veel geleerd, wat bij mij leidde tot twee conclusies:

  1. de martelgang en doodsstrijd van al die kreeftjes staan in geen verhouding tot de geringe hoeveelheid vlees die je er met veel gepruts en gespetter weet uit te peuren;
  2.  de Nederlandse wijnmakers verstaan hun métier.
Alambic

Het onverwoestbare optimisme van de dorpssmid

Ieder jaar gaan wij op 1 januari met oliebollen bij onze Franse buren langs. Dit is een tijdrovende aangelegenheid, want niemand laat ons vertrekken zonder een glaasje te hebben gedronken. De oude dorpssmid, André, is als laatste aan de beurt. Als ik aanklop klinkt er een flauw “éntrez”.

Alambic

Met de alambic gaat alweer een Franse plattelandstraditie verloren

 

André zit in zijn fauteuil naast de houtkachel. Hij ziet witjes. De glimlach waarmee hij ons altijd dankbaar welkom heet lijkt aan energie te hebben ingeboet. “Blijf zitten, blijf zitten”, zeg ik, terwijl ik mijn hand ter begroeting naar hem uitsteek. Mijn vrouw drukt hem een kus op beide bleke wangen en zet de schaal met oliebollen op tafel.

‘Maar het is zo definitief’

Spoedig komt de aap uit de mouw. Op oudejaarsdag nam het leven van André een ongewilde wending. Hij wist al even dat het moment nakende was, maar zweeg er tot nog toe over. De assurance wil zijn autoverzekering niet langer verlengen. André, die het afgelopen jaar 96 werd en nooit van zijn leven brokken maakte, vormt een te groot risico in de ogen van zijn verzekeringsmaatschappij. En, geeft hij ruiterlijk toe, een beetje gelijk hebben ze wel. Hij voelde zich al langere tijd onzeker achter het stuur. “Maar het is zo definitief.”

Voor een man van 96 staat de oude dorpssmid ongelooflijk monter en positief in het leven. Zijn ogen worden wat slechter en zijn benen doen wat vaker zeer. Dat is hinderlijk. Maar wat hem betreft niet iets om over te klagen. Hij krijgt weer wat kleur in zijn gezicht, zo lijkt het, en veert op uit zijn fauteuil. ‘Opveren’ is in deze context geen geschikt werkwoord. Beter is: hij rijst op uit zijn stoel, traag en breekbaar. Hij zet glaasjes en een fles op tafel. Naast de schaal met oliebollen.  Hij schenkt de glaasjes vol met versterkte, zoete wijn, gemaakt door een oude kameraad uit de Charente. We drinken op het nieuwe jaar. De ogen van de oude baas zijn vochtig.

Vroeger…

Ons bezoekje doet hem goed. Vroeger, vertelt hij, was het gebruikelijk om op nieuwjaarsdag alle huizen af te gaan. En overal dronk je een glas gnôle, brandewijn waarvan je de tranen in de ogen sprongen, gestookt uit eigen pruimen of peren, door de alambic die in het najaar zelfs de kleinste dorpen aandeed. Het is een uitstervende plattelandstraditie, de alambic. De laatste keer dat er een ambulante distilleerderij in Marsac stond, is alweer vijf jaar geleden. Het kan niet meer uit voor de inmiddels eveneens stokoude stoker. Met de huisgemaakte gnôle verdween ook de traditie om op nieuwjaarsdag een gezamenlijk glas te drinken uit het dorp. “Voeger had je elkaar bij alles nodig, als buren”, zegt André. “Je zocht elkaar vaker op en ja, dan dronk je een glas. Dat is niet meer.”

Het klink niet als klacht, uit de mond van de dorpssmid, eerder als nuchtere constatering, zonder waardeoordeel. André weet donders goed dat lang niet al wat blonk goud was in de ‘goeie ouwe tijd’. Neem zijn eigen vader. Die kwam op een zeer ongelukkige en gruwelijk pijnlijke manier aan zijn einde om de simpele reden dat het een dag gaans was naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis in Limoges. Als er al een ‘paardentaxi’ kon worden opgetrommeld. De arme man stierf aan een kaakontsteking waar we vandaag de dag onze schouders over op zouden halen. Een penicillinekuurtje en klaar is Kees. Maar toen niet. Voor de plattelandsarts ter plaatse was, lag de patiënt al te zieltogen aan een helse bloedvergiftiging. De reis naar Limoges had geen zin meer, oordeelde de dokter. André was een kleuter van vier toen hij zijn vader op deze wrange manier verloor. Het onheil deed zich voor in 1925.

Betere tijden

André en zijn moeder bleven bekommerd achter en moesten het klaren met een karig weduwepensioentje. Na de lagere school ging André achtereenvolgens in de leer bij een smid in het naburige dorp Les Rorgues en in Fursac. Op zijn achttiende vestigde hij zich als zelfstandige smid in ons dorp, Reix. De omstandigheden waren erbarmelijk: de administratieve regels voor het smidsgilde waren knellend en met de Tweede Wereldoorlog die dat jaar begon, ging het ijzer op rantsoen. André had recht op vijftig kilo per maand. “Daar doe je niet veel mee.” Na de oorlog braken betere tijden aan. André trouwde en zijn echtgenote begon een eenvoudige bistrot aan huis. Terwijl André aan de overkant paarden en muildieren besloeg, dronk men bij zijn vrouw een glas en warmde men zich aan een bord soep. Reix groeide en bloeide en telde op haar hoogtepunt wel honderd inwoners tegen nog geen twee dozijn op dit moment.

André vult de glazen nog eens bij en we zwijgen even. Daar voelt niemand zich ongemakkelijk bij. We eten een oliebol. “Stel je voor”, doorbreekt André de stilte , “je had een dag nodig om in Limoges te komen. Daar doe je nu nog geen uur over met de auto.” Dan valt hij stil. Er trekt een schaduw over zijn gezicht. Als een donderslag bij heldere hemel lijkt het besef terug te keren dat hij een dag eerder, op oudejaarsdag, zijn laatste autoritje maakte. Naar Marsac en terug. Na de bijna honderd jaar waarin de oude smid de wereld steeds harder zag rondtollen, breekt een nieuwe levensfase aan – een fase waarin hij een vitaal deel van zijn zelfstandigheid verliest. Dan keert zijn fragiele glimlach terug en zegt hij: “Enfin, we boffen in Reix. Hier heb je buren waarop je nog kunt vertrouwen.”

Wij zullen dat vertrouwen in 2018 niet beschamen.
En ook daarna niet, zolang als zijn onverwoestbare optimisme ons tot kompas dient.

 

Tournedos Rossini

Tournedos Rossini – de ‘Cartier’ onder de hamburgers

Ik noem hem de Cartier onder de hamburgers: de tournedos Rossini, een onvoorwaardelijke klassieker uit de Franse keuken, vernoemd naar de grote Italiaanse operacomponist. Qua vorm en opbouw doet hij in alle opzichten aan de fastfood-evergreen denken, maar wat hij met je smaakpapillen doet, is van een andere dimensie.
Je waant je in de zevende hemel.

Tournedos Rossini

Verhalen over het ontstaan van de tournedos Rossini, en vooral over de oorsprong van het begrip ‘tournedos’, lopen uiteen. We kennen de tournedos nu als een rond stukje ossenhaas van twee tot drie vingers dik, dat op zijn sappigst is als het kort op hoog vuur om en om gebakken wordt, maar toen Gioacchino Rossini in een van zijn favoriete restaurants de kiem legde voor een nooit eerder bereid gerecht, bestond het begrip nog niet.

Gewijde muziek en gastronomie

Het verhaal ging ongeveer zo, volgens de Larousse gastronomique. Rossini vestigde zich in 1824 in Parijs, hevig teleurgesteld in zijn publiek. Dat had zijn laatste opera, Semiramide, slecht ontvangen en dat lag de gevierde componist zwaar op de lever.

Hij legde zich toe op het componeren van gewijde muziek en zocht troost aan de tafels van de meest vermaarde restaurants. Op een dag keek hij in zijn favoriete restaurant op de kaart. Het menu kon hem niet boeien. Hij wilde wel eens wat anders, het liefst een revolutionaire, copieuze compositie met foie gras en truffel, voor hem de meest goddelijke ingrediënten op aard. Hij ontbood de chef aan zijn tafel en de heren smoesden wat.

Die chef was, wederom volgens de Larousse, ene Casimir Moisson en het restaurant heette Maison Dorée, gevestigd in een schitterend gebouw op de hoek van de rue Lafitte en de boulevard des Italiens. In die dagen was Maison Dorée het episch centrum van politiek en cultureel Parijs. Het restaurant bestaat niet meer, het gebouw nog wel. De art nouveau gevels bleven staan en werden opgeknapt, het interieur werd omgetoverd tot modern handelscentrum.

‘Tournez-mois le dos!’

Casimir Moisson deed een suggestie die in goede aarde viel bij de Italiaanse componist die erop stond dat de chef het nieuwe gerecht bij hem aan tafel kwam bereiden, maar dan wel met zijn rug – le dos – naar zijn tafelgenoten, zodat de verrassing zo groot mogelijk zou zijn. Zodra de chef aan de slag ging, bedacht Rossini zich. Hij wilde zelf verrast worden en toeleven naar een spetterende finale.  Hij riep, tot ontsteltenis van iedereen: ‘Draai je toch maar om, tournez-moi le dos!’ Waar gebeurd of nepnieuws? Wie zal het zeggen. Er doen andere verklaringen de ronde, maar ik verlaat me op de gastronomische encyclopedie.

De Cartier onder de hamburgers werd met liefde gecomponeerd. De ouverture, die het meesterwerk zou dragen, was ontwapenend eenvoudig: licht geroosterd zoet brood, rond van vorm. In plaats van de inferieure rundertartaar van de meeste hamburgerketens, werd de ronde boterham belegd met een malse, om en om gebakken tournedos, besprenkeld met een truffeljus, afgeblust met madera. En als sluitstuk – géén spek of kaas en al helemaal geen salade, ui of tomaat – maar een versgebakken escalope van ganzenlever, afgewerkt met truffelschaafsel.

Dát is Frans eten! Maar de eerlijkheid gebiedt erbij te zeggen dat eetgelegenheden als McDonalds en Hamburger King tegenwoordig voller zitten dan de klassieke Franse restaurants.

Rossini

Rossini, een corpulent multi-talent

 

 

Aan tafel met De Gaulle

Simpel als De Gaulle

“Eten is een staatsaangelegenheid”, zei Emmanuel Macron plechtig toen hij jongstleden 27 september op het Élysée 180 sterrenchefs ontving. Nooit eerder kwam een vergelijkbaar illuster culinair gezelschap samen op het presidentieel paleis. Macron organiseerde de bijeenkomst als eerbetoon aan de ‘ambassadeurs van de Franse gastronomie’ en liet niet na te benadrukken dat hij de Franse keuken graag inzet als diplomatiek wapen. Het diner ter ere van de 180 topkoks was eenvoudig: oesters in een citroen-, anijs en peterseliecrème; Noorse kreeft met gealcoholiseerde ananas; een soep van artisjokken met zwarte truffel, opgediend in een krokante deegkorst, als hommage aan de 91-jarige grootmeester Paul Bocuse, wiens zoon, Jérôme, ook van de partij was.

Aan tafel met De Gaulle

Franse presidenten hebben wat met eten. Brigitte Macron zei naar aanleiding van het gastronomische samenzijn dat zij en haar man veel chefs persoonlijk kennen, wat hen veel plezier schenkt als er iets te vieren valt. In tegenstelling tot enkele roemruchte voorgangers, is Macron nog niet betrapt op veelvraterij. De socialistische president François Mitterand (1981-1995) spant wat dat betreft nog altijd de kroon. Hij was verzot op oesters en foie gras, werkte maar wat graag een pondje ortolanen naar binnen en at graag in zijn eentje een kloeke pot kaviaar leeg, wat hij rechtvaardigde met de opmerking: “Het was linkse kaviaar”.

De Gaulle – sober en spartaans

De absolute tegenpool van Mitterand – in alle opzichten, dus ook in culinair perspectief – is generaal Charles de Gaulle, de eerste president van de vijfde republiek (1959-1969). Hij stond bekend als uitermate sober en spartaans. Een privémaaltijd duurde wat De Gaulle betreft niet langer dan veertig minuten, een staatsdiner hooguit een uur. Het verhaal gaat dat De Gaulle buitengewoon geïrriteerd raakte toen Hassan II van Marokko, koning van 1961 tot 1999, niet op tijd op het aperitief verscheen, dat voorafging aan een staatsdiner dat te zijner ere was aangericht. De generaal liet de koning een briefje bezorgen met de ondubbelzinnige boodschap dat de hele ploeg zonder hem aan tafel zou gaan als hij niet binnen tien minuten verscheen.

Aan de eetgewoonten van de door velen geliefde generaal is tot eind dit jaar een charmante tentoonstelling gewijd in het Mémorial Charles-de-Gaulle in Colomby-les-Deux-Églises, waar de staatsman begraven ligt. De expositie, À table avec le général de Gaulle, bevat onder meer een decennium aan presidentiële menu’s. Een zeer opvallend exemplaar is het menu ter ere van Son Excellence Monsieur le Président des États Unis d’Amérique et de Madame John F. Kennedy uit 1961. Er moest in een uur tijd heel wat worden weggewerkt: een romige soep; een met tong gevuld bladerdeegtaartje; een schotel met gevogelte en salade en een parfait Viviane, een mousse, zeg maar, op basis van vers fruit, verse room, eieren en een scheutje alcohol.

De Gaulle: “Het is moeilijk om een land te regeren dat 246 kazen heeft”

De Gaulle hield van eenvoud, van de burgerlijke keuken. Gevraagd naar zijn voorkeur voor eten, schijnt hij dikwijls gezegd te hebben: “Als het maar simpel en eerlijk is en ik op mijn bord kan zien wát ik eet.” Liflafjes en fratsen waren aan de karakteristieke generaal niet besteed, aan verspilling had hij een broertje dood. Dat hij al zijn privé-etentjes in rekening bracht van het Élysée was een privilege dat de sobere staatsman, die ooit zei dat het buitengewoon moeilijk is om een land te regeren dat 246 kazen heeft, nooit is nagedragen.

 

De kastanje

De kastanje, een vegetarische lekkernij

Neerploffende kastanjes zijn voor mij hét symbool van de vroege herfst. Ik kan mijn lol op, want mijn huis is omgeven door kastanjebomen en de bijbehorende streekgeschiedenis is met kastanjes doorspekt. De châtaigne hoort bij de Creuse zoals de fois gras bij de Dordogne. En nu we het toch over eten hebben: de kastanje is een onverbiddelijke vegetarische lekkernij.

Kastanjes rapen in de Creuse

 

De Limousin, de regio waar wij als Creuse deel van uit maakten tot we werden opgeslokt door de Nouvelle-Aquitaine, gebruikt het blad van de kastanjeboom als logo. Dat onderstreept het belang voor de streek van de harde, bruine vrucht, die er in haar opengebarsten huid altijd wat obsceen uitziet. De majestueuze kastanjeboom gedijt hier voortreffelijk. Op de Ardèche na is de Limousin de grootste producent van consumptiekastanjes. De jaarproductie schommelt rond de 12.000 ton. De vruchten die tijdens mijn wandelingen op mijn hoofd neerploffen, zijn trouwens een stuk kleiner dan de exemplaren die de professionele châtaigniers aan de supermarkt leveren. Gelukkig maar, want zo’n joekel op je kop kan lelijke schade veroorzaken.

‘Gelukkig hebben we de kastanje nog’

Van oudsher is het armoe troef in de Limousin, en dan vooral in de Creuse. Maar gelukkig hebben we de kastanje. In tijden van misoogst diende de kastanje de bevolking tot basisvoedsel. Je kon hem vermalen tot meel, wat de kastanjeboom in vervlogen tijden en alleen bij ons de bijnaam broodboom bezorgde. Maar ook op tal van andere manieren werd de kastanje verorberd: gepoft, gebakken of tot puree gestampt. In goede oogstjaren, als er genoeg andere voedingsmiddelen voorhanden waren, was de kastanje ideaal om de varkens mee vet te mesten.

De kastanjeboom was ook geliefd om zijn hout dat geschikt was voor licht timmerwerk en natuurlijke afrasteringen. Van de twijgen, die uiterst soepel zijn als je ze licht verwarmt, vlochten de vrouwen van de Creuse manden en valiezen om wat bij te verdienen in de tijd dat hun mannen hun kostje bij elkaar scharrelden als losse bouwvakkers in Parijs, aan het einde van de negentiende eeuw, toen de Franse hoofdstad onder straffe aanvoering van baron Haussmann op de schop ging, waarbij geen middeleeuwse steen gespaard bleef.

Kastanjes schillen, een hels karwei

Een praktische jongen dus, die kastanjeboom. Maar Frankrijk zou Frankrijk niet zijn, en de Creuse de Creuse niet, als de kastanje niet vooral werd gewaardeerd om de onuitputtelijke mogelijkheden er iets lekkers van te maken. Pasteien, likeuren en gebak van kastanjes kleuren de eenvoudige plattelandskeuken van de Creuse bruin. De laatste jaren leek de populariteit van de kastanje wat tanende, maar hij is in opmars. Hij wordt weer met regelmaat geraapt; ook door mij, al ervaar ik het schillen als een hels karwei.

De kastanjeIn het kookboek La Grande Cuisine Végétarienne vond ik een recept voor een Viennoise de marrons confits et petits oignons en fine croûte moutardé van Philippe Bardau, een sterrenkok uit Orléans. Laat de kastanjes twee minuten zweten in kokend water om ze makkelijker te kunnen pellen. Laat wat boter smelten en fruit daar fijn gehakte sjalotjes in. Voeg gepelde kastanjes en kleine, ronde uitjes toe, samen met wat groentebouillon, en laat het geheel 20 minuten pruttelen. Laat alles afkoelen en haal voorzichtig de kastanjes en uitjes eruit. Laat de jus flink inkoken, voeg er mosterd aan toe en dompel de uitjes en kastanjes hier met behulp van een keukenpincet één voor één in onder om ze te glaceren. Een delicaat karwei. Rol ze door fijne paneermeel, laat opnieuw wat boter smelten en bak de gepaneerde uitjes en kastanjes aan tot ze een knapperig jasje hebben. Opdienen met de rest van de jus erover.

 

Ik houd erg van de vegetarische keuken, zéker met een stukje vlees erbij. In dit geval kies ik voor één van de meest geliefde specialiteiten van de Creuse, le boudin aux châtaignes – diepzwarte bloedworst, gevuld met kastanjes.

Leve de herfst, leve de kastanje!

Lelijke Eend

Een Nederlandse eend in de Franse bijt

Eens per jaar, in de zomer, is Ahun in de Creuse een charmant trefpunt voor verstokte liefhebbers van de Lelijke Eend. Je weet wel, dé plattelandsauto en hét symbool van Frankrijk. Er zijn er bijna vier miljoen van gemaakt, de besteleend niet meegerekend.

De beauty en de Lelijke Eend

Lelijke eendjes aan de waterkant

De manifestatie, 2CV en Fête genaamd, speelt zich af aan de oever van de gemeentelijke waterpartij. Eendjes van alle leeftijden staan in lange rijen opgesteld. Er is een buffet met koffie, bier en wijn en je kunt kaartjes kopen voor een middagmaal. Ik zou eendenborst op het menu hebben gezet, maar het organisatiecomité koos voor entrecote met friet. Desalniettemin stromen de eendenliefhebbers rond midi in groten getalen toe. Ze nemen gedisciplineerd plaats in een snel groeiende rij. Zo gaat dat in Frankrijk. Wij gebruiken het etensuur om op ons gemak langs de eendjes aan de oever van het water te flaneren, vervuld van nostalgie. De Lelijke Eend. Wie heeft er geen herinneringen aan?

Autobouwer André Citroën maakte het eclatante succes zelf niet mee. Hij stierf in 1935. De eerste eend verscheen ten tonele in 1948, tijdens de autosalon van Parijs. Citroën was toen eigendom van Michelin. Daar dachten ze: als we een autootje maken voor alle plattelanders van Frankrijk, verkopen we vanzelf meer banden. Naar verluidt moest het een autootje worden dat twee boeren en een zak aardappelen van 50 kilo of een vat wijn van 50 liter kon vervoeren. Ik vermoed dat de boeren dat vat wijn belangrijker vonden. Een ander verhaal vertelt dat er buiten de bestuurder en zijn passagier een schaap in de eend moest passen en dat de vering van dusdanige kwaliteit moest zijn dat er bij het transport van een mand vol eieren niet één exemplaar zou breken. Een journalist noemde de nouveauté tijdens de salon van Parijs ‘het lelijke eendje van Citroën’. De onverwoestbare troetelnaam was geboren.

Een ‘raar gedrocht’, die eend

De eend werd zo populair dat de wachttijd in korte tijd opliep tot drie jaar. De eend veranderde het aanzien van het Franse platteland. Paard en wagen raakten passé. Het eerste exportland was Nederland. Vanaf 1952 was de 2CV bij ons verkrijgbaar, maar ‘wij’ vonden het aanvankelijk maar een raar gedrocht. Pas halverwege de jaren zestig, met het groeien van de populariteit van Frankrijk als vakantiebestemming, ontstond er waardering voor het lelijke eendje. Hij werd het symbool van de alternatieve levensstijl. En nu is de eend, die tot 1990 is geproduceerd, zowel in Frankrijk als Nederland een collectors item en worden er soms exorbitante prijzen voor gevraagd.

Een beauty op eendenleest

We bewonderen en keuren de eendjes die we langs de waterkant tegenkomen. Dan stuiten we aan het uiteinde van de waterpartij op een glimmend rode, open sportauto. Op de kofferbak staat naast het Citroën logo de naam Burton. Nooit van gehoord. Wat is dit voor type? Wat is de ‘link’ van deze ‘beauty’ met de Lelijke Eend? Twee heren van respectabele leeftijd staan aan de kap te frummelen. Die moet dicht, want er zijn een paar eerste spatjes regen gevallen. Stel je voor dat de schitterende, intieme cockpit nat wordt! Als de heren in hun missie geslaagd zijn, informeer ik beleefd naar de herkomst van de sportauto.

Zodra zij doorhebben dat ik uit Nederland kom, stijgt hun verbazing. Maar weet ik dan niet dat Burton de eerste, enige en grootste Nederlandse fabrikant van sportwagens is? Nee, geef ik beschroomd toe. Geamuseerd leggen de heren uit dat we kijken naar een zogeheten ‘kitcar’, het resultaat van een bouwpakket, geplaats op het chassis van een Lelijke Eend en helemaal naar eigen smaak samengesteld. Ik ben verbluft.

Uit onvoorwaardelijke liefde voor de Lelijke Eend

De Burton Car Company, lees ik later op de website van de Nederlandse sportautofabrikant, bestaat sinds 1993 en heette eerder Duck Hunt. Het is de droom van Dimitri en Iwan Göbel, twee broers die als kleine jongens al fantasierijke vehikels bouwen uit wat ze maar aan weggegooide maar nog bruikbare materialen en onderdelen tegenkomen. Tijdens hun studie raken ze tot over hun oren verliefd op de Lelijke Eend. Nog enigszins bruikbare exemplaren waar ze de hand op weten te leggen, bouwen ze om tot pick-up. Ook storten ze zich op de import en verkoop van de Lomax, een kitcar uit Engeland. De naam staat voor Low Cost, Maximum Fun.

In 1999 openen de broers een 2CV shop met werkplaats, showroom en revisieafdeling, die al snel uitgroeit tot bedevaartsoord voor liefhebbers van de Lelijke Eend. Daar ontstaat het idee om met het chassis van de Lelijke Eend als fundament een nieuwe sportauto te ontwikkelen en die onder de naam Burton op de markt te brengen. In 2016 zijn er twaalfhonderd van verkocht, wat Burton in één klap tot grootste sportautofabrikant van Nederland maakt. En wie had ooit gedacht dat hun reputatie zich zou uitstrekken tot aan de oevers van de gemeentelijke waterpartij van Ahun, in de Creuse, in het hart van Frankrijk?

Je maakt wat mee op een zomerse zondag in de Limousin. Nooit bevroed dat de onvoorwaardelijke liefde voor de Lelijke Eend tot zoiets moois kan leiden.

Hommage aan de Lelijke Eend

Alwéér een welbestede zomerse zondag in de Limousin: 2CV en Fête in Ahun, Creuse

 

 

De kapel van Sainte Énimie

De lepraprinses

In de geest van het paasfeest leggen we in de Lozère, het thuisdepartement van de vermaarde Cévennes, een kruisweg af naar een kleine kapel die is gewijd aan de heilige Énimie. Het is letterlijk én figuurlijk een kruisweg. Letterlijk, omdat 12 ijzeren kruizen het steile pad markeren. Figuurlijk, omdat het voor een man van mijn postuur en conditie een helse klauterpartij betreft. We worden beloond met een uitzicht dat ik niet ‘adembenemend’ kan noemen, omdat ik al buiten adem ben als we de top bereiken.

Op kruistocht in Sainte-Énimie

Zowel de klauterpartij naar de kapel als het uitzicht op Sainte-Énimie is adembenemend

Het plaatsje Sainte-Énimie behoort terecht tot les plus beaux villages de France. Het dorp met zijn heerlijke middeleeuwse straatjes ligt aan de Tarn, in het regionale park van de Grand Causses. De tarn stort zich hier door een machtige kloof die zich door de eeuwen heen vormde in het kalkplateau. Hier danken we de befaamde Gorges du Tarn aan. De rotsen, nog steeds onderhevig aan erosie, hebben grillige vormen die de fantasie tarten. Tijdens één van onze wandelingen mijmeren mijn vrouw en ik over het ontstaan van dit natuurschoon. Moeten we terug naar de ijstijd? Liepen er ooit gletsjers door de kloof? We concluderen over bedroevend weinig geologische kennis te beschikken. Maar ach, ieder huisje heeft zijn kruisje.

Er was eens een bevallige prinses, Énimie genaamd

Ten tijde van het vroege christendom, een periode die loopt van het jaar waarin de vermeende heiland aan het kruis werd genageld en uit volle borst ‘always look at the bright sight of life’ zong, tot aan de wijding van paus Gregorius I op 3 september 590, werd een bevallige prinses geboren, Énimie genaamd. Het lijkt wel een sprookje. Maar in tegenstelling tot de meeste sprookjes, kent het verhaal van Énimie geen happy end.

Énimie is de dochter van Clovis II, koning der Franken vanaf zijn geboorte rond 584 tot zijn dood rond 630. Ze is zo oogverblindend mooi dat ze iedere man om haar vinger zou kunnen winden. Ze besluit echter haar hart aan de Here Jezus te verpanden. Tot ontsteltenis van haar vader. Die wil haar om strategische redenen uithuwelijken aan een of andere hotemetoot. Om haar ouders niet al te zeer te ontrieven, bidt Énimie tot haar heiland: ‘ontneem mij mijn schoonheid, heer, zodat ik u kan blijven dienen!’ Prompt wordt ze getroffen door een vreselijke vorm van lepra.

Clovis II is radeloos. Hij trommelt alle medici uit het Frankische rijk op, maar niemand heeft een remedie tegen de afzichtelijke ziekte. Énimie zelf is ook niet in haar nopjes met haar metamorfose. Ze bidt en bidt dat het een aard heeft en krijgt dan een visioen. Een engel Gods fluistert haar in dat ze genezing zal vinden in de Fontaine de Burle, een zeven meter diepe bron bij een zijtak van de Tarn, te midden van de krijtrotsen van de huidige Lozère. Énimie en haar broer Dagobert trekken er met een groot gevolg heen. En jawel. Het wonder geschiedt. Na haar bad is onze prinses weer zo mooi als een frisse, opgewreven appel. Of als een mals kippetje van het beroemde ras Bresse-Gauloise, wat je wilt.

De legende neemt zijn loop

De volgende dag echter, op de weg naar huis, slaat de noodlottige lepra weer meedogenloos toe. De reis wordt meerdere malen herhaald. Steeds met dezelfde uitkomst. Énimie komt als een mals kippetje uit de bron, maar verandert op weg naar huis in een taaie, gemankeerde hen. Ze ziet hier een teken van God in. Die wil, het kan niet anders, dat ze zich vestigt bij de bron om van daaruit het evangelie te verspreiden. Zo gezegd, zo gedaan. Uiteindelijk trekt ze zich terug en leidt ze een kluizenaarsbestaan in de grot waar nu haar kapel tegenaan gebouwd staat.

De kapel van Sainte Énimie

Bij de kapel, hoog in de rotsen, steekt een helse wind op

We danken de legende van Sainte-Énimie, want dat is het natuurlijk, aan de middeleeuwse troubadour Bertran de Marseille. Zijn achternaam doet vermoeden dat hij een Provençaalse bard was, maar onderzoek uit 1957 vertelt ons dat hij uit de omgeving van Saint-Énimie kwam. Doet er niet toe, want ook daar was de voertaal Occitaans. Ergens in de 13de eeuw schreef Bertran de Marseille La Vida de Santa Enimalia, een hagiografie van niet minder dan 2000 achtregelige verzen. Door deze ‘heiligenbiografie’ ontstond er een ware pelgrimsrage rond de onfortuinlijke Énimie, wat de basis vormde voor één van de mooiste dorpen van Frankrijk. Zomers is het er een gekkenhuis. Nog steeds vindt iedere eerste zondag van oktober een pelgrimage plaats die de liefhebber via het Sentier Hermitage – het hermietenpad – naar de kapel leidt.

Wij kiezen ons eigen moment om de kruisweg naar de grot van Énimie af te leggen. Het steile geitenpad vergt een haast onmenselijke inspanning. Soms zet ik zo’n rare hoge stap naar een volgende rots, dat ik haast uit mijn kruis scheur. Dan doe ik snel een schietgebedje. Maar eerlijk is eerlijk, op de top van de berg, aan de voet van de kapel, is het uitzicht magnifiek. Het is ons echter niet gegund er lang van te genieten. Ineens pakken er donkere wolken samen boven de Tarn. Het water kleurt diep grijs en er steekt een felle wind op. Het is of Énimie ons hoogstpersoonlijk met haar laatste lepra-adem van de rotsen wil blazen. We besluiten terug te keren. Zwijgzaam volbrengen we de niet risicoloze afdaling. Al wat je hoort is het nerveuze tikken van onze stokken, alsof twee blinden op de berg van Golgotha achterna worden gezeten door demonen. Beneden kijk ik direct naar mijn handen. Goddank. Alle tien mijn vingers zitten er nog aan. Wel zo handig voor als we zondag eieren gaan zoeken.

Jachtverhaal voor oude bokken

Jachtverhaal voor oude bokken

Mogen we mensen die lijden aan het leven omdat ze er ‘klaar’ mee zijn een handje helpen? Ik vind van wel. Het recht op zelfbeschikking is, dunkt me, het ultieme bewijs van vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en volwassenheid. Nederland is in die zin een baken. Frankrijk loopt hopeloos achter. Wat me doet denken aan een uitzonderlijk jachtverhaal.

Jachtverhaal voor oude bokken

In de Franse wetgeving geldt ‘euthanasie’ als taboewoord. De wet van Leonetti (2005) verbiedt weliswaar het ongelimiteerd voortzetten van medische behandeling, maar stelt paal en perk aan actieve euthanasie. Dat staat gelijk aan doodslag en kan je duur komen te staan. Dat ruim 90% van de Fransen dit volgens de ADMD, de Franse euthanasievereniging, zeg maar, graag anders geregeld zou zien, lapt de Franse wetgever aan zijn laars.

De dood op bestelling

Aan de Franse keukentafel is vrijwillige levensbeëindiging prima bespreekbaar. Men volgt de ontwikkelingen in Nederland met een mengeling van jaloezie en bewondering, merk ik. Omdat ik Nederlander ben, vraagt men dikwijls naar mijn mening. Vaak blijkt het beeld te bestaan dat de dood in Nederland op bestelling wordt geleverd. Dat beeld nuanceer ik, uiteraard. Soms proef ik dan lichte teleurstelling.

Onlangs kwam het thema ter sprake tijdens een copieuze maaltijd bij voormalige buren die wij inmiddels beschouwen als onze ‘Franse familie’. De familie bestaat uit opa (96), oma (86), dochter (middelbare leeftijd) en wat opgeschoten jongelui die niet te bewegen zijn het nest te verlaten. Niemand durft ze een schop onder hun achterste te verkopen.

Vooral oma lijkt geobsedeerd door het al dan niet vrijwillig gekozen einde. Uit de krant, van de televisie en door bezoekjes aan het bejaardencentrum kent ze afschuwelijke voorbeelden van mensen wier leven misdadig lang wordt gerekt, ondanks de meest weerzinwekkende kwalen en gebreken en de bij volledig verstand eindeloos herhaalde wens om in godsnaam te mogen sterven. Mag niet. Daar gaat alleen god over. Oma vindt dat godgeklaagd en meent dat het ‘bij ons’ – ze bedoeld dan in Nederland – goed geregeld is.

‘Liever nu dood dan morgen naar het bejaardentehuis’, zegt ze theatraal.

‘Wat?’ zegt opa, ‘gaan we morgen naar het bejaardentehuis’?

‘Pappa!’, roep de dochter van middelbare leeftijd, ‘la gueule’. Omdat ze niet zeker weet of pappa haar hoort, brengt ze een vuist naar haar mond en maakt ze een verduidelijkend gebaar. ‘Op slot die mond’. Opa, die wat doof is en lichtelijk vergeetachtig, moet zijn muil houden. Dat is al jaren zo. Hij trekt zich daar niets van aan en wil nog lang niet dood.

‘Er is een oplossing’, zeg ik vrolijk. Wijn maakt me loslippig en de zwaarte van het onderwerp vraagt om een lichtvoetige noot. Bovendien ben ik nooit te beroerd om de pias uit te hangen.

Luister naar mijn jachtverhaal

‘Fransen houden van jagen, toch?’,  opper ik retorisch. Alle ogen zijn op mij gericht. Ik doe mijn plan voor het ‘Nationale Oude Bokken Jachtfestijn’ uit de doeken, een jachtverhaal dat ik al eens eerder aan een kladje toevertrouwde. Omdat sterven past bij de herfst, kiezen we een vaste dag in oktober. Dat geeft houvast. Laten we de naamdag van Judas Taddeüs nemen, de beschermheilige der hopelozen, 28 oktober. Dan hebben we net de klok teruggezet en begint het korten van de dagen op ons gemoed te werken.

Tijdens het Nationale Oude Bokken Jachtfestijn, op 28 oktober dus, begeeft iedereen van 75 jaar en ouder zich vrijwillig naar de gemeentelijke bosrand. Daar wordt men feestelijk opgewacht door de burgemeester en de lokale jachtvereniging. De kandidaten worden geteld, gloedvol toegesproken en bedankt voor bewezen diensten. Zodra de burgemeester drie stoten op zijn jachthoorn geeft, rennen of strompelen de gelukkigen het bos in. Ze krijgen een voorsprong van vijf minuten. Dan stoot de burgervader nog eens drie maal op zijn hoorn. De jagers zetten de achtervolging in en schieten op alles met twee benen. Er geldt geen quotum. Wie het overleeft, wordt benoemd tot ereburger en krijgt het volgende jaar een herkansing met een handicap.

‘Opgelost’, zeg ik, alsof ik een plan presenteerde dat op slag en definitief afrekent met alle acute wereldproblemen. Ik kijk voldaan rond.

Oma kijkt me aan alsof ik niet goed snik ben. De dochter van middelbare leeftijd schudt haar hoofd en schenkt haar glas nog eens vol. Het is opa die de pijnlijke stilte doorbreekt:

‘Wat? Gaan we morgen jagen?’

Courgette als geheim wapen

Courgettegekletter in Brive-la-Gaillarde

Sinds wij een bescheiden moestuin exploiteren, ken ik de courgette als vredelievende goeierd die onder alle omstandigheden welig tiert en zich gewillig leent voor culinaire experimenten. Dat je hem ook gebruiken kunt als knots of knuppel, heb ik me nooit gerealiseerd. De 14e-eeuwse inwoners van Brive-la-Gaillarde, mijn lievelingsstad in Midden-Frankrijk, wisten dat wel. De  huidige stadsbewoners danken er hun geuzennaam Courgous aan. Lokale geschiedenis of een broodjeaapverhaal?

Courgette als geheim wapen

Vers uit de moestuin: een indrukwekkend wapenarsenaal

We kiezen een vrijstaand tafeltje uit op het terras van Un Coin de Campagne, een bistro in Brive-la-Gaillarde. We eten er graag om de familiale sfeer. De zon brandt er op deze onbekommerde zaterdagmiddag ongenadig op los, dus besluiten we snel te verkassen naar een plek die meer beschutting biedt, pal naast een ander stel dat al aan de kaas zit. Een geanimeerd gesprek is onvermijdelijk. Waar we vandaan komen, wat we hier doen, of Brive-la-Gaillarde ons bevalt. Zo gaat dat in deze heerlijke provinciestad, waar de ambiance uitgesproken zuidelijk is en de wijn de tongen losmaakt.

Courgettegekletter

De mannelijke helft van het echtpaar, die zich voorstelt als Didier, gidst ons binnen de kortste keer door de geschiedenis van zijn geboortestad. Hij wijst naar de historische panden aan de overkant van de brede en drukke Boulevard du Salan waar ons terras aan gelegen is. Weten we dat daar ooit een stadsmuur stond, die zich in een cirkel van ruim anderhalve kilometer om de stadskern uitstrekte? En weten we waar Brivisten hun bijnaam Courgous aan danken? Wij zijn één en al oor en schenken nog eens in, terwijl we ons voorgerecht krijgen opgediend; een huisgemaakte quiche.

‘Aan de bouw van die muur zijn we bijna failliet gegaan’, vertelt de vriendelijke Didier, alsof hij er zelf bij was. ‘Het einde van het liedje was dat Brive-la-Gaillarde weliswaar een stoere stadsmuur had, maar de bevolking geen middelen om zich te verdedigen. Bij iedere aanval van de Engelsen, verschansten we ons achter de muur en sloegen we de vijand met een courgette om zijn oren. Vandaar die naam, Courgous. Wie geboren en getogen is in Brive-la-Gaillarde is trots op die naam. Probeer het maar eens uit!’

Eenmaal thuis erger ik me aan mijn gebrek aan historisch besef. De maaltijd, wijn en zon hebben hun slaapverwekkende uitwerking niet gemist, maar ik stel mijn siësta nog wat uit. Ik wil er het fijne van weten. Maar wat ik ook Google, de term Courgous kom ik niet tegen. Nergens in de roerige geschiedenis van Brive-la-Gaillarde is sprake van courgettegekletter. En nog iets: de stad stelde zich tamelijk ambivalent op in de aanhoudende twisten tussen de elkaar opvolgende en dwarszittende Franse en Engelse koningen. Het was Brive maar om één ding te doen: zijn eigen onafhankelijkheid als consulaat binnen een uiterst ingewikkeld staatsbestel.

Brive-la-Gaillarde als dappere frontstad

Brive, strategisch gelegen aan de rivier de Corrèze, had als levendige markt- en handelsstad al een eerste stadsmuur in de 12e eeuw. Deze lag rond Saint-Martin, de kerk die ook nu nog de kern van de stad markeert. De stad dijde uit, de muur werd verwaarloosd, de gracht er omheen werd gedempt. In 1337 krijgt Brive van Filips VI van Valois, koning van Frankrijk van 1328 tot 1350, het bevel een nieuwe muur op te trekken.

Filips ziet Brive als frontstad in zijn strijd tegen zijn aartsrivaal Eduard III, koning van Engeland van 1327 tot 1377, die van moederskant recht meent te hebben op de Franse troon. De hierop volgende voortslepende twist is een erfenis van Karel IV die koning van Frankrijk was van 1322 tot 1328 en de pijp aan Maarten gaf zonder mannelijke opvolger. Zowel Filips als Eduard zijn neven van Karel IV. Hun strijd legt de kiem voor de ‘Honderdjarige Oorlog’ tussen Frankrijk en Engeland.

Enfin, Brive sleept de benodigde stenen aan en bouwt zijn immense muur. Met zeven stadspoorten, waarvan enkele uitgerust met torens. Met zes kloeke geschutsgaten. Koning Filips was zo onder de indruk van de prestatie dat hij de stad de ‘appellation’ la Gaillarde verleende – ‘de sterke’. Maar als zijn kleinzoon Karel V, koning van Frankrijk van 1364 tot 1380, eind 1373 aanklopt om er zijn soldaten uit te laten rusten van de strijd, blijft de poort gesloten.

De courgette: een geschenk van de natuur

Een klein Engels garnizoen, onder leiding van Jan van Gent, hertog van Lancaster, de vierde zoon van voornoemde Eduard III, is het jaar daarop wel welkom. De soldaten van de Franse koning nemen op 22 juli 1374 meedogenloos wraak. Brive wordt belegerd, de Engelsen worden om zeep geholpen, de stadsraadsleden en rebellerende burgers worden bij de Porte de la Barbacane publiekelijk gefolterd tot de dood erop volgt. De appellation la Gaillarde wordt officieel afgepakt. Brive krijgt zijn geuzennaam pas terug als de stad zich in 1944 op eigen houtje weet te ontworstelen aan de nazi’s.

Een bijzondere geschiedenis, dat is zeker. Maar de courgettes van Didier kom ik er niet in tegen. Ik vrees dat hij mij op het zonovergoten terras van Un Coin de Campagne  een broodjeaapverhaal op de mouw heeft gespeld. De vredige rust die ik tot nu toe ervoer tijdens het schoffelen van de moestuin is ruw verstoord. Ik kan er niks aan doen, maar in iedere courgette zie ik een knots of knuppel, een geschenk van de natuur om insluipers mee om de oren te slaan.