de Brenne

Hotelier in de Brenne of tekstschrijver in de Creuse?

Hoe geweldig kan het zijn om het roer drastisch om te gooien! Stoppen met wat je gewend bent te doen, al je energie investeren in een nieuwe onderneming. Telkens als ik onderweg in Frankrijk op een koopje stuit, zoals onlangs in de Brenne, steekt die aanvechting de kop op. Ik zie het zó voor me: een leven als hotelier of als uitbater van een nostalgische bistro of rustiek dorpscafé. En dan deelnemen  aan een veelbekeken tv-programma en een bekende Nederlander worden, terwijl niemand weet aan welke talenten dat te danken is. Lijkt me heerlijk.

Tekstschrijver in de Creuse

Het probleem in de contreien waar ik woon, Midden-Frankrijk, is dat de koopjes en kansen zich om de haverklap aandienen. Vooral in de gastvrijheidssector liggen de instapmogelijkheden voor het oprapen. Hotels en restaurants staan voor een prik te koop. Neem dit majestueuze bedrijfsobject in Mézières-en-Brenne. Voor slechts 45 duizend euro ben je koopman. Bij dergelijke bedragen gaan mijn ogen glimmen en slaat mijn fantasie op hol.

Natuurlijk, je ontkomt niet aan de noodzaak tot modernisering, En dat kost een paar centen. Maar als je veel zelf doet en de juiste mannetjes weet te vinden die het met de Franse fiscus niet te nauw nemen, kom je een heel eind. Trouwens, de btw krijg je terug en de investering is aftrekbaar van de inkomstenbelasting. Bovendien sluit ik niet uit dat er ergens nog een aardige subsidie valt los te peuteren uit een of ander EU-potje, te verdelen onder initiatieven die relevant zijn voor de leefbaarheid van het Franse platteland.

En dan nog iets: zo’n modernisering mag je niet overdrijven. Het onderkomen moet zijn karakter behouden. Maar al te dikwijls sloopt men de ziel eruit en daarmee alle onderscheidende factoren die houvast bieden in het marketingtraject. De hedendaagse toerist zoekt beleving, authenticiteit en contact met de lokale cultuur. Daar dien je als hotelier rekening mee te houden in de renovatieplannen. Less is more! 

Komt allen naar de Brenne

Een goed bed met schoon linnen is van groot belang, maar douchen kan eventueel op de gang, met lauw water, want dan beseffen je gasten eens te meer hoezeer ze thuis in luxe leven en dat reizen geen enkel doel dient dan het strelen van de eigen ijdelheid. In die zin is corona een lesje in bescheidenheid. Voor al het overige is de pandemie een plaag, of zeg maar gerust een catastrofe, al ondervind ik er persoonlijk relatief weinig hinder van, maar dat komt doordat ik afgelegen woon en graag in alle rust zit te schrijven of te lezen.

Enfin, 45 duizend euro voor een pand met zo veel potentie, gelegen aan de rand van Mézières-en-Brenne, een kalm Frans stadje in het hart van een nationaal natuurpark dat zijn weerga niet kent, laat je niet aan je neus voorbij gaan. Dan ben je een dief van je eigen portemonnee.

Niet te vergelijken

De Brenne, gelegen in de Indre, het land van George Sand en een buurdepartement van de Creuse, waar ik nu nog woon en werk, is bekend om zijn rijkdom aan meren en vennen. Bij elkaar opgeteld leveren ze een wateroppervlak van meer dan 166 duizend hectare op. Het is een oase van rust voor trekvogels, maar ook voor vaste bewoners als de fuut, de roerdomp en de Europese moerasschildpad. Als natuurliefhebber zwerf je zorgeloos rond in het unieke vogelreservaat, te voet, over zompige paden, of met een fluisterbootje. Vanuit mijn hotel zal ik excursies organiseren. Ook naar de aardige, nabijgelegen stad Le Blanc waar zich het ecomuseum van de Brenne bevindt.

Maar is zo’n lage vraagprijs voor een gerenommeerd historisch hotel in een dergelijk fenomenaal natuurpark dan geen teken aan de wand? Komen er straks wel toeristen op af? Toegegeven, de klad zit er een beetje in. Noch de Indre noch de Creuse slaagt erin zijn aanbod bij binnen- en buitenlandse toeristen op het netvlies te branden. In die zin zou je ons de Flevopolder van Frankrijk kunnen noemen. Daar houdt iedere vergelijking echter op. Want geloof me: als je Mézières-en-Brenne vergelijkt met Dronten, leg je een stralende, zonovergoten, diep gelukkige vakantiedag naast een obscure, intens sombere nacht. Na de avondklok.

De Brenne – het mekka voor de vogelaar

Als je de juiste doelgroep weet aan te spreken, daar ben ik van overtuigd, en daar een sublieme customer journey op loslaat, met een subtiele toepassing van de meest recente SEO-inzichten, dan krijg je elk hotel bezet, ook in de Indre of de Creuse. Kwestie van ondernemerschap en creativiteit. Het momentum is aanwezig. Als gevolg van covid-19 neemt het aantal vogelaars met rappe kievitsschreden toe. Vogelaars zijn fijne, rustige mensen die je goed over de vloer kunt hebben. Ze zijn niet veeleisend en bezorgen niemand overlast. Succes verzekerd. Ik ben er klaar voor.

Mijn lieve echtgenote gaat altijd een heel eind mee in mijn wilde dromen en ambities. Echter, waar ik me soms wat al te snel laat meeslepen door de kansen die ik signaleer en mezelf rijk reken, plaatst zij dikwijls wat kritische vragen in de kantlijn van mijn geestdrift.

‘Weet je dat vogelaars de gewoonte hebben om voor dag en dauw op te staan en bij tij en ontij de velden in trekken?’  vroeg ze bijvoorbeeld.

‘Nou en?’ antwoordde ik kribbig.

‘Nou ja,’ zei mijn vrouw onverstoorbaar, ‘voor ze met hun verrekijker en vogelgids op hun buik bij een plas water gaan liggen, willen ze wel een voedzaam ontbijt achter de kiezen hebben. En ga er maar vanuit dat een gemiddelde vogelaar prijs stelt op een rijkelijk gevulde lunchtrommel om ook de middag onverstoorbaar tussen de grutto’s, steltlopers, knobbeleenden, rrrrrroerdompers en schijtreigers door te brengen.’

De moed zinkt me in de schoenen. Gedesillusioneerd voel ik me wegzakken in een van de talrijke moerasachtige poelen van de Brenne. Ik zie mezelf om vijf uur ‘s morgens al eieren bakken, boterhammen smeren en liters koffie in thermoskannen gieten voor die slome, brave vogelaars uit alle windstreken. Je moet er niet aan denken.

Mijn toekomst als hotelier in de Brenne is verwoest. Ik blijf lekker tekstschrijver in de Creuse.

 

Kleine Creuse

Hoge torens, brullende leeuwen en mist in de vallei van de Kleine Creuse

September 2001. Met goede moed banen we ons een weg door de vallei van de Kleine Creuse. Boven op de berg wacht ons een spookachtig oord dat wordt gedomineerd door verongelijkte torens, brullende leeuwen en mist. Je moe niet huil nie, je moe nie treur nie, zingt een echo uit mijn jeugd. Maar de Stellebosse kerels komen nie. Niet in de Creuse.

 

Kleine Creuse

Als uit graniet gehouwen houden ze de wacht aan weerszijden van de poort. Geen nachtmis, dit jaar. Wel een kerstboom. Om er nog iets van te maken in de spookachtige nederzetting Toulx-Sainte-Croix

Moderne mensen zijn graag onderweg. De pandemie van 2020 legt de reislust en verplaatsingsdrang aan banden. Maar straks, als we allemaal zijn ingeënt en het coronavirus alleen nog welig tiert in straatarme uithoeken van de wereld waar ze niet eens aan grootschalige vaccinatieprogramma’s durven te denken, trekken we er weer massaal op uit. Dan weten piloten en stewardessen al snel niet meer waar ze het moeten zoeken en slaan ze met de vuist op tafel voor een loonsverhoging.

We gaan verder op de oude voet, als trekvogels die hun instinct volgen omdat ze zich van geen griepgevaar bewust zijn.

Ik blijf in de Creuse en maak zo nu en dan een wandeling. Niet meer zulke lange en geen dagen achtereen, zoals in 2001. Daar kijk ik met genoegen op terug. We hadden ruim driehonderd kilometer in de benen toen een surrealistische gebeurtenis een einde maakte aan onze meerdaagse voettocht.

Wat deed jij?

Vrijwel alle mensen die ik ken weten nog precies waar ze waren, die dag. En wat ze deden. Henriëtte en ik bevonden ons in La Courtine, een levendige plaats op het Plateau de Millevaches. Dat wil zeggen: het wás ooit een bedrijvige nederzetting, toen het bijbehorende en gelijknamige militaire oefenkamp nog floreerde. In Nederland maakte Rijk de Gooyer de legendarische legerbasis onsterfelijk.

Wat we er deden, in La Courtine? Na een stevige en nostalgische wandeling over een reeds lang opgeheven spoortraject hielden we bivak in hotel Bacchus. Verder niets bijzonders. Het etablissement bestaat nog steeds, al kun je er niet meer dagelijks eten, zoals toen. Alles wordt minder.

Een mistige ervaring in de vallei van de Kleine Creuse

Twee verre torens dienden ons tot bakens tijdens onze persoonlijke kruisgang naar Toulx-Sainte-Croix. Vanuit een van de torens moet je La Courtine kunnen zien liggen, maar alleen als je gezegend bent met adelaarsogen. In de kroon van de toren is de liefhebber van vergezichten een panoramische kennismaking met maar liefst zeven departementen vergund. Een oriëntatietafel geeft tekst en uitleg. Met zijn blikveld van minstens honderd kilometer biedt de toren een van de meest spectaculaire verrekijkerservaringen van Frankrijk, zeg men. Toen ik de toren jaren later een keer beklom – Henriëtte bleef vanwege hoogtevrees beneden, samen met Falderappes – hing er een waas tussen mij en de zeven departementen die het midden hield tussen mist en motregen, een weersgesteldheid die niet zeldzaam is in de vallei van de Kleine Creuse.

Toren in de vallei van de Kleine Creuse

Hij belooft een van de meest spectaculaire vergezichten van de republiek Frankrijk, deze observatietoren van Toulx-Sainte-Croix. Maar nu even niet.

De observatietoren werd gebouwd op initiatief van een voormalige pastoor van Toulx-Sainte-Croix, vader Aguillaume. Hij deed zijn parochianen graag een aandenken cadeau. Hoeveel gelovigen er gemiddeld naar zijn zondagse mis kwamen, weet ik niet, maar de huidige pastoor moet zich met heel wat minder schapen tevreden stellen. De afgelopen dertig jaar liep het aantal inwoners van Toulx-Sainte-Croix met meer dan de helft terug. De teller staat in de buurt van 250. Het is een lot dat veel gemeenten in de vallei van de Kleine Creuse beschoren is.

Vader Aguillaume was naast geestelijke amateurhistoricus. Hij liet zich inspireren door middeleeuwse verdedigingstorens, wat te zien is aan de kantelen en schutsgaten bovenop. In 1932 begon hij geld bij elkaar te bedelen voor zijn project en kon de eerste steen worden gelegd. Daar bleef het zo ongeveer bij als gevolg van malversaties met de financiën. De eerbiedwaardige Aguillaume ging voor onsterfelijkheid en strandde halverwege in geklungel. Voor hem geen welluidend Halleluja.

Door de opkomst van radio en televisie werd de observatietoren in 1956 alsnog af gemetseld. Er verrees een radio-ontvangststation aan de voet van de toren en dat bracht geld in het laatje. Tussen 2007 en 2009 werd de observatietoren met behulp van een mooie EU-subsidie opgekalefaterd. De tweede toren van Toulx-Sainte-Croix – de watertoren – stond erbij en keek ernaar. Strontjaloers.

Leven in tijden van cholera

Zelfs bij mist is die tweede toren vanuit de observatiepost naar het ontwerp van de oud-pastoor zichtbaar. De watertoren doet geen dienst. Hij staat er belabberd bij en voelt zich afgedankt. Frankrijk moet er meer dan 16.000 gehad hebben, volgens een oud artikel in Le Figaro, waar ik tijdens mijn research- en schrijfwerkzaamheden op stuitte, dikke en dunne torens, torens van steen, torens van beton, torens van ijzer, sierlijke dames, plompe heren. Deze waterkastelen, zoals Frankrijk ze noemt, worden met uitsterven bedreigd. Dat is weer eens wat anders dan de grutto.

Gaandeweg de zeventiende eeuw schoten watertorens overal in Europa als paddenstoelen uit de grond. Men begreep dat schoon en veilig water cruciaal was om een akelige ziekte uit te bannen, een bacterieel ongemak waar je van aan de schijt raakte en dat je vaak bekocht met een wrede dood door uitdroging. Hygiëne was het toverwoord.

Men wist de bacterie aardig te temmen met de aanleg van deugdelijke waterleidingsystemen. Volgens de wet der communicerende vaten hielden de torens de druk in de leidingen op peil. Oplossingen lagen toen dichter binnen handbereik dan vandaag de dag, zo lijkt het wel. Cholera verdween uit de westerse wereld en werd het exclusieve domein van straatarme landen en vluchtelingenkampen. Leve de vooruitgang!

Hoed je voor een acute aanval van neerslachtigheid

Als ik terugdenk aan onze eerste kennismaking met Toulx-Sainte-Croix schiet me één woord te binnen. Spookachtig. Bij onze aankomst, laat in de middag, sloeg het weer om. De zon die ons de hele dag parten had gespeeld en Falderappes in greppels deed vluchten om beschutting te zoeken, verdween achter laaghangende bewolking. Het begon te miezeren. De lage, sombere kerk, gescheiden van zijn klokkentoren, stond er verweesd bij. Aan beide zijden van het portaal zagen we een uit graniet gebikte leeuw staan, aangetast door eeuwen van afwisselende zonnestralen en priemende regen. Falderappes nam de uitheemse roofdieren serieus door schel tegen ze te blaffen.

Er stak een schrale wind op. Om niet ten prooi te vallen aan acute neerslachtigheid, haastten we ons naar de oude, markante villa aan de rand van het Gallo-Romeinse woonoord. Daar zouden we overnachten. We belden aan maar men gaf niet thuis. Intussen begonnen de leeuwen die de wacht hielden bij het vermoeide kerkgebouw klaaglijk te brullen.

Ik dacht: waar zijn we in godsnaam mee bezig?

 

Onderweg naar Toulx-Sainte-Croix

Op hete kolen naar Toulx-Sainte-Croix

Als we de berg naar Golgotha beklimmen, op weg naar Toulx-Sainte-Croix, zakt me de moed in mijn betonnen schoenen. In het gezin waarin ik driehonderd jaar geleden opgroeide, ver voor corona, hielden we meer van wandelen met de auto. Wat gaat het worden? Houd ik vol of wacht ik in de verdorde berm tot ik een ons weeg? Strompel mee.

 

Op weg naar Toulx-Sainte_croix

Een vertwijfelde wandelaar, gespot bij de Kleine Creuse, waar de sporen van de vernielzuchtige orkaan Martin die in 1999 huishield in het hart van Frankrijk nog altijd zichtbaar zijn. Van hieruit moest de klim naar Toulx-Sainte-Croix nog beginnen.

Als je de slingerende en vilein stijgende weg naar Toulx-Sainte-Croix bewandelt, zie je in de verre verte twee torens. Soms verdwijnen ze even uit zicht, bij een kromming in de weg, bijvoorbeeld. Maar van lieverlede komen ze altijd weer tevoorschijn. Daar kun je van op aan. Maar ze lijken nauwelijks dichterbij te komen, als je daar loopt, zoals wij daar liepen in 2001, tijdens onze meerdaagse voettocht door de Creuse, in de verzengende zon.

Boven de armoedige lappendeken van asfalt zag ik de lucht trillen. Mijn schoeisel voelde als doornenkronen.  De wandeling leek me ineens een helse onderneming. Hoewel we nog maar twee dagen onderweg waren, zette ik levensgrote vraagtekens bij ons plan om de Creuse te voet te doorkruisen om ons nieuwe grondgebied beter te leren kennen. Kon dit niet veel efficiënter en vlotter in een cabriolet? Die hadden we niet, maar die konden we huren. Dat kan zelfs in de Creuse.

In mijn directe omgeving sta ik niet bekend als doorzetter. Moeiteloos bedenk ik geloofwaardige voorwendselen om initiatieven tot lichamelijke beweging in de kiem te smoren. Dat is iets uit mijn jeugd. Het gezin waarin ik in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw opgroeide deed weinig aan lichaamsbeweging. Bij ons ging je wandelen met de auto, zoals mijn vader het uitdrukte.

‘Wij hielden meer van zitten’

Wij hielden meer van zitten. Mijn moeder moesten ze uiteindelijk uit haar luie stoel zagen. Dat ik een zittend beroep zou kiezen lag voor de hand en daar heb ik nooit spijt van gehad. Maar nu we in de Creuse waren geland, met zo veel ongerepte natuur om ons heen, had ik besloten me consciëntieus te richten op deelname aan de triathlon van Montluçon.

“Gaat het?”vroeg Henriëtte.

Ze had door dat ik wat begon te sukkelen.

“Niet om over naar huis te schrijven”, zei ik.

“Ligt niet aan mij, maar aan die verdomde schoenen. Ze knellen mijn bloedsomloop af en schrapen het vel van mijn zolen. Het is altijd wat, als ik eens iets onderneem. Mijn voeten zijn verrot en ik krijg nauwelijks lucht. Wandelen is goed voor de mens, zeggen ze, maar volgens mij is dat een grove leugen, een moedwillig misverstand. Een complot. Even zitten, misschien? Een rokertje? Voor hetzelfde geld komt er een auto langs, kunnen we proberen te liften.”

Complottheorieën waren in die tijd nog niet in de mode, maar ik was er vroeg bij. De kans op een auto was minimaal, wist ik. Vanaf het moment dat we waren begonnen aan de beklimming van de berg van Golgotha was er uit beide richtingen nog niet één voertuig gepasseerd, zelfs geen tractor.

“Je bent een slome duikelaar”, zei Henriëtte. “Je bent niets gewend. Een slappe, klootloze dweil, dát ben je. Als je die schoenen van je eerst eens had ingelopen, liep je nu niet zo te grienen, druiloor.”

Niet mopperen nu, met gezwinde spoed door naar Toulx-Sainte-Croix

Voelde het als een steek onder water of als een mes in mijn rug? Hoe het ook zij, het deed zeer. Al deed ik nog zo mijn best, dit was niet bevorderlijk voor de moraal. Maar ik sprak mezelf streng toe: niet mopperen, nu, ouwe! Want een beetje gelijk had ze wel, mijn dappere Athena.

“Een rokertje?” probeerde ik nog eens.

“Doen we”, zei Henriëtte tot mijn genoegen. “Nemen we er meteen een kop koffie bij.”

In het klooster van Bétête was het Henriëtte gelukt een redelijke kwaliteit koffie te ontfutselen aan de industriële turbocilinder in de gaarkeuken. Daar had ze de thermoskan mee gevuld met de vooruitziende blik dat we op onze komende bergetappe niet snel een koek en zopie zouden tegenkomen.

Bij het vertrek, die morgen, had er een dikke mist gehangen in de Vallei van de Kleine Creuse. Op de tast volgden we de stroom van de rivier. Mijn  wandelstok werd blindenstaf. De eerste kilometers liep ik op hete kolen en raakte ik al snel achterop. Henriëtte en Falderappes fladderden als kwartiermakers voor me uit. Het was echt genieten geblazen.

Bij het gestaag optrekken van de ochtendmist kwam een toverachtig landschap tevoorschijn. We liepen langs verwilderde boszomen, mysterieuze steenformaties en verstilde vennen. Nieuwe elektriciteitspalen en schots en scheef geboomte herinnerden ons aan Martin, de tornado die kort na de kerstdagen, de avond van 27 december, van 1999 over ons huis banjerde en een pandemonium aanrichtte. Er ging voor duizenden hectares aan bomen plat, huizen werden onthoofd en het bovengrondse elektriciteitsnetwerk werd verwoest. In de Creuse kwamen zestigduizend huishoudens in de aanloop naar het nieuwe decennium zonder stroom te zitten. Een van die huishoudens werd bestierd door Henriëtte en mij. Falderappes was toen nog niet in beeld.

Liberté, egalité, solidarité

Op 30 december 1999 bracht de toen zittende president van de republiek, Jacques Chirac, een bezoek aan de Limousin. ‘s avonds luisterden we met rode oortjes bij flakkerend kaarslicht en een afwisselend ploffende en jankende houtkachel naar een kleine transistorradio. Het sonore stemgeluid van onze president klonk inlevend en geruststellend.

La Creuse est blessée…

Chirac  riep op tot solidariteit, een fenomeen dat wat uit de mode is geraakt. Ik zal de radiotoespraak van mijn leven niet meer vergeten. Het was onze eerste winter in een eigen huis in Frankrijk. Ik was voor het eerst getuige van een natuurramp. Getuige? We zaten er middenin! Dankzij het voortreffelijke metselwerk waarmee ons kleine maar dappere huis was geconstrueerd, kenmerkend voor deze streek, waren we verdorie aan een gewisse dood ontsnapt!

Ik dwaal af.

Terug naar de Vallei van de Kleine Creuse, naar de eindeloze, slingerende en gemeen stijgende weg die ons van Bétête via Clugnat naar Toulx-Sainte-Croix zou voeren. De lucht boven het smeltende asfalt trilde en in de verre verte zag ik die twee vervloekte torens.

De kunst van het draaien

Falderappes schoot als een voetzoeker onder een verkoelende laag gebladerte in de droogstaande greppel langs de berm waar we een geschikte plek zochten om koffie te drinken en een sigaret te roken. Ik joeg er in die tijd  – twintig jaar geleden, zowat! – nog gemiddeld anderhalf pakje tabak per dag doorheen. Ik rolde aan de lopende band saffies, niet alleen voor mezelf, ook voor Henriëtte die verzot was op mijn huisgefabriceerde sigaretten die ik op subtiele wijze taps liet toelopen. Ik wist deze kunst van draaien in de loop der jaren tot in het absurde te perfectioneren.

“Gaat het?” vroeg Henriëtte, terwijl ze dankbaar een puntig sigaretje van me aanpakte.

“Kan niet beter,” loog ik, terwijl ik een piraat voor mezelf draaide, zodat ik mijn levens- en wandelgezellin niet aan hoefde te kijken.

Zo wist ik nog even te verbloemen dat ik ernstig overwoog de handdoek in de ring te gooien en net zo lang in deze verdorde berm te blijven zitten tot er een auto of trekker stopte om ons mee te nemen. Ik wist nog niet wat voor draai ik aan mijn besluit kon geven om geen volledig gezichtsverlies te lijden.

Eerst koffie en een sigaret.

 

In Mortemart

Een koude douche in Mortemart

Toen de Franse staat ons onlangs weer wat meer bewegingsvrijheid toestond – tot 100 km rond ons dorp, hemelsbreed – reden we op de eerste zonnige zondag naar Mortemart. Deze charmante plaats ligt in de Haute-Vienne, aan de voet van les Monts de Blond, een klein en niet te hoog bergmassief, vernoemd naar het gelijknamige dorp. Dit is een van onze favoriete wandelgebieden. Er begint een fraai monnikenpad in Mortemart. We liepen het al eerder, maar het verveelt nooit.

In Mortemart

Alles was nog dicht, in Mortemart. Enfin, alles… Zoveel zit er niet. Een hotel waar je goed kunt eten in een erg mooie tuin en een café/bistro met een ruim terras dat zicht biedt op de nostalgische overdekte markthal. Beide waren gesloten en bij en rond de markthal heerste een doodse verlatenheid. Niet getreurd. Wij hadden onze Covid-19-voorzorgsmaatregelen getroffen. In een kleine rugzak droegen we drank en spijzen voor een picknick met ons mee.

De met zorg gerestaureerde markthal dateert uit de achttiende eeuw. Ons geliefde monnikenpad dankt zijn bestaan aan de stichting van maar liefst drie kloosters. In de eerste helft van de veertiende eeuw schoten meerdere ordes hier wortel. Eén kloostercomplex verdween. De twee andere laten zich nog bewonderen. Het zijn indrukwekkende complexen, opgetrokken uit het graniet van de streek. Trots en onaantastbaar.

Kostelijk erfgoed in Mortemart

Dankzij de monniken staat er ook een monumentale veertiende-eeuwse kerk in Mortemart. Om de rondleiding compleet te maken mag het lieflijke kasteel van de hertogen van Mortemart niet onbeschreven blijven. Het is een ingetogen bouwwerk met een kloeke toren, een kleurrijke tuin en een rustieke vijver. In deze vijver woont een zwaan die niet te vertrouwen is. In het kleine kasteel woonden door de diverse eeuwen heen illustere edelen. Naar verluidt waren enkelen van hen bevriend met Lodewijk XIV, de Zonnekoning die zei: De staat, dat ben ik. Al die kostelijke erfgoed maakt dat Mortemart de status van Plus Beau Village de France geniet.

Het eerste deel van ons monnikenpad loopt langs gestapelde muren waarachter het terrein van het Augustijner klooster ligt. Bij een verstilde ven vervolgen we ons pad via een van de bewegwijzeringsbordjes het bos in. De goed onderhouden route voert ons omhoog. Soms behoorlijk stijl. De wandeling voert ons door een paar vergeten gehuchten. De tijd heeft er stil gestaan, zo wil het cliché. We zijn maar net zestig kilometer van huis. Toch ‘voelt’ het weer als een heel ander stuk Frankrijk. Niet vanwege de stilte, maar door de bouwstijl. Het verschil in sfeer zit vooral in de dakpannen. Die lopen rond. Op zijn Toscaans. Het is de stijl van de nabijgelegen Charente en doet verlangen naar duinen en pijnbomen van de Atlantische kust.

Om van te watertanden

In een van de gehuchten stuiten we op de ultieme picknickplaats. De uit natuursteen en boomstronken samengestelde tafel en zitjes, gelegen tegen een rotswand en omgeven door potten met exotische planten, doet ons watertanden. Hier willen we zitten! Maar we zien meteen dat de idylle bij het tegenovergelegen huis hoort. Het raam staat open. Na enig beleefd roepen verschijnt er een galante veertiger in de deuropening.

Picknickidylle in Mortemart

Onze picknickidylle…

Ik wijs naar onze picknickplek en vraag naar de bekende weg: ‘Is dit privé of public?’

Hij begrijpt vast wel dat ik hiermee op een beleefde manier wil vragen of we zijn sprookje voor de duur van een eenvoudig maal mogen meebeleven. Hij kijkt me geamuseerd aan en zegt: ‘Dit is privé, meneer.’

Er valt een enigszins ongemakkelijke stilte. Je zou kunnen spreken van een patstelling. Goddank is mijn vrouw assertiever dan ik. Ze zegt: ‘Wat een prachtig plekje heeft u gecreëerd. Vindt u het goed als wij er gebruik van maken voor een picknick?’

‘Dat is goed’, zegt de eigenaar, ‘als u maar geen rommel achterlaat.’ Hij draait zich om en verdwijnt zonder ons een smakelijk eten toe te wensen naar binnen. Onfrans.

Zijn voorwaarde zet me aan het denken. Heeft hij slechte ervaringen met passanten? Zijn er al eens eerder mensen neergeploft, zonder toestemming te vragen, die vervolgens een mestvaalt achterlieten? Was niet hij, maar waren wij juist onfrans met ons verzoek? Enfin, we installeerden ons in het zonnetje en lieten ons de kaas, salade, koude kip en rosé goed smaken. De eigenaar zagen we niet meer terug.

De schillen en de dozen…

We vergewisten ons ervan dat we geen kruimel of snipper achterlieten. Ik ruimde zelfs een paar plastic dingetjes op die er al lagen. Laat niet, als dank, Voor ’t aangenaam verpoozen, Den eigenaar van ’t Bosch de schillen en de doozen. Aldus de tekst op romantische affiches van de Toeristenbond voor Nederland – thans de ANWB – die in 1915 campagne voerde tegen de vervuiling van onze parken en landschappen. Die trend om te rijmen lijkt trouwens weer in opmars in het reclame- en communicatievak.

We liepen en liepen. Ik begon hem goed te voelen, ongeoefend als ik was als gevolg van twee maanden huisarrest. Voorzichtig informeerde ik of we wel goed liepen. Mijn vrouw is altijd van de route. Ook zij twijfelde. In een volgend dorp spraken we een oudere heer aan die, zo te zien zeer tot zijn genoegen, iets in zijn moestuin deed. Mortemart? Dan kunt u het best deze weg volgen tot aan de hoofdweg. Dan naar links. Hoever? Zes, zeven kilometer, schat ik. Daar schrokken we enigszins van.

Terug in Mortemart

Daar we geen kaart bij ons hadden zat er niets anders op dan de aangeven lus te volgen tot aan de hoofdweg. Die strekte zich vervolgens kaarsrecht voor ons uit. Als een eind zonder eind. We spraken elkaar moed in en liepen over het asfalt naar de horizon. Liften was geen optie. De staat stond contacten met vreemden op minder dan een meter afstand niet toe. Dat is lastig in een auto. Er reden trouwens nauwelijks auto’s.

Met pijnlijke voeten maar nog steeds opgewekt arriveerden we in de vroege avond in Mortemart. Daar was alles nog steeds doods en verlaten. Noch bij de kerk, noch bij de kloosters, noch bij de markthal, noch bij het kasteel van de hertogen viel enig leven te bespeuren. Zelfs de zwaan in de kasteelvijver hield zich van de domme. Het plotselinge besef dat het niet mogelijk was om op een fijn terras de benen te strekken en in een fris biertje te happen overviel ons als een koude douche na een lange wandeling.

Kasteel in Mortemarkt

Ze hadden smaak, de hertogen van Mortemart

 

Licht in Saint-Goussaud

Er is weer licht… in Saint-Goussaud

Hoera, hoera, er is weer licht in Saint-Goussaud! Na de haast ondraaglijke zwaarte van het bestaan, die we gelaten over ons heen lieten gaan, mogen we weer lichtvoetig door het leven huppelen. Dinsdag 2 juni 2020. Een dag om niet licht te vergeten. We zijn weer welkom voor een glas. De voorgenomen begroetingskus blijft onwennig in de lucht hangen en we sjoemelen met de meters, maar wat zijn we blij elkaar weer te ontmoeten. De nieuwe hippies van Saint-Goussaud lijken nauwelijks aangeslagen. La Lanterne is klaar voor het tweede bedrijf.

Licht in Saint-Goussaud

Klik op de afbeelding en kom binnen

 

Het zal je maar gebeuren. Op een mooie dag zie je als vriendengroep het licht. Je ziet kansen, je maakt plannen. Doen we het wel, doen we het niet? Dat malle pand, boven op de berg, staat alweer zo lang leeg. Toegegeven, veel ondernemers die je voorgingen beleefden er hun Waterloo. Maar is dat een reden om het niet te doen? Kom op, zeg…

In Saint-Goussaud doen we het anders – op onze manier

Wij doen het anders. Op onze manier. Met onbespoten producten. Uit de streek. Met eerlijke schotels. Zonder Franje. Vanuit het vriendschappelijke motto eerlijk zullen we alles delen. Zonder winstbejag. Met de nadruk op plezier en geen andere pretentie dan een bescheiden aanvulling op het gezinsinkomen. En zie, het slaat aan! Je café-restaurant mag zich verheugen op steeds meer klanten. Fijne klanten, trouwe klanten. Dan, uit het niets, duikt er een of ander noodlottig virus op. De deur moet dicht. Op last van de overheid. Terecht of niet? De toekomst zal het uitwijzen. Maar klote is het wel. Zwaar klote.

Gaan ze het overleven? Hebben ze er straks nog zin in? We vroegen het ons de afgelopen maanden geregeld af, thuis. Als twee van de inmiddels vele fijne, trouwe klanten. Je leeft toch mee met zo’n onderneming. Je leert de ongestuurde ploeg steeds beter kennen, ziet hoe goed ze het menen – en doen – en voor je het weet gaat hun wel en wee je aan je hart.

De plek waar je met streekgenoten het glas heft

Verdorie, als ze het maar redden! We waren zo blij weer een leuke plek bij de hand te hebben, een familiale pleisterplaats waar je met streekgenoten het glas heft, bij vertrouwd geroezemoes een lichte maaltijd geniet, en in het weekend eensgezind naar vrolijke live muziek luistert. Er is al niet veel in de omgeving, en dan gooit zo’n rottig virus nog even lekker roet in het eten. Over zulke rampspoed moet je niet te lichtzinnig denken. Wat mis gaat komt nooit meer goed en voor je het weet is het te laat.

Maar het ging niet mis. De de sympathieke ploeg van La Lanterne zet de deur weer wagenwijd open. Ook de deur naar het terras, met dat ongeëvenaarde uitzicht op het onbedorven heuvellandschap. Alsof er nooit iets is gebeurd. Is er een virus? Wij laten ons niet kisten. Door het leven met mondkapjes? Wij laten ons niet knevelen. Goed ventileren, elkaar de ruimte gunnen, geen omhelzingen, voorlopig – al is de aandrang heftig en lijkt het tegen onze natuurlijke inborst in te druisen – en je verstand gebruiken. En genieten natuurlijk. Want daarvoor ga je naar het hoogste punt van Saint-Goussaud.

Het voortreffelijke brood van Romain? In Saint-Goussaud!

Op afstand ruik je het al: het verse brood van Romain. Uit de houtoven. Ambachtelijk gebakken. In Saint-Goussaud. Je weet dat de tap weer gevuld is. In Saint-Goussaud. Met het hoppige bier uit die kleine, plaatselijke brasserie, lichtblond of roodbruin. Wat de pot schaft weet je niet vooraf, maar je weet wel dat de keukenbrigade tot in zijn tenen gemotiveerd is om je met eerlijke ingrediënten een smakelijk driegangenmenu te bereiden. Met of zonder vlees, iedereen zijn truc. En natuurlijk kun je rekenen op de evergreens: de kaas- en charcuterie voor bij het aperitief, de Fondue Creusoise met huisgemaakte frieten, de kruimeltaart met rabarber. En dat alles met een unieke saus van eenvoud en vriendelijkheid. Het is goed toeven, in Saint-Goussaud.

Hoe je er komt? Gewoon je neus achterna, via slingerende weggetjes de beboste bergen in. Tot aan de top, kan niet missen. Saint-Goussaud is wereldberoemd, dankzij de eeuwenoude pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Je vindt er sporen uit de Romeinse tijd en de mooiste middeleeuwse Lanterne des Morts van Frankrijk. Daar is ons café-restaurant naar vernoemd. En dat pakt geen virus ons af. Santé!

Mode in de Creuse

Modemeisjes in de Creuse – trendy en duurzaam ineen

De modewereld schudt op zijn grondvesten. Klimaatverandering en kinderarbeid eisen hun tol. Spilzieke fashionchicks komen tot inkeer. De koopschaamte slaat toe. Maar gelukkig is daar dé gewetensusser van het nieuwe decennium: de kledingbibliotheek. Laat je niet gek maken! Kom liever eens inspiratie opdoen in de Creuse. Daar is de mode trendy en duurzaam ineen. Dankzij één onverbiddelijke bestseller: de robe-tablier.

 

Mode in de Creuse

Ik lag nog in bed en luisterde naar Nieuwsweekend. Het was zaterdagmorgen 28 december 2019. Ene Marieke Eyskoot, fashion- en duurzaamheidsdeskundige, fulmineerde tegen het stadsbestuur van Amsterdam. Dat moest, vond Eyskoot, optreden tegen de kerstboodschap die de winkeliersvereniging van de Kalverstraat in vrolijke ledverlichting boven de Amsterdamse koopgoot had opgehangen: ‘Shop. Never stop’. Schokkend, meende Eyskoot, niet meer van deze tijd. Vervolgens hield zij een pleidooi voor het leasen van kleding. En zo maakte ik op die bewuste zaterdagochtend kennis met het begrip ‘kledingbibliotheek’. Toen pas? Ja, sorry, ik woon in de Creuse.

De kledingbibliotheek, leerde ik via Google, is een nieuw fenomeen in de deeleconomie. Het is een modewinkel (of webshop) die maar in één opzicht van de traditionele boetiek verschilt: je koopt niet, maar leent, huurt of least je kleding. En dan niet die galajurk voor die ene avond, maar je complete garderobe. Avant-gardistisch of retro, splinternieuw of gebruikt, je hoeft het niet te hebben, als je het maar kunt dragen.

Ongemakkelijk

Het verschijnsel verspreidt zich als een olievlek over de hippe wereldsteden. Magazines die mindfulness propageren, blazen de loftrompet. Voor de meedogenloze mode-industrie is de hippe kledingbibliotheek een probaat middel tegen dreigend omzetverlies als gevolg van de toenemende koopschaamte. Wat is er aan de hand? Modemeisjes beginnen zich langzamerhand wat ongemakkelijk te voelen onder hun door modewetten gedicteerde koopverslaving. Die laat zich steeds slechter rijmen met hun ecologische en vaak vegetarische inborst.

Het is het zoveelste schaamtedilemma in de klimaatdiscussie. Jaarlijks besteden modebewuste Nederlanders voor € 20 miljard aan nieuwe kleding. Ieder jaar belandt 235 miljoen kilo kleding in de kliko. De gemiddelde draagtijd van een trendy topje of hippe retro-rok is drie jaar. Namens de modehuizen, de grootste spelers in de online platformeconomie, rijden er elke dag duizenden bezorgautootjes rond, die wolken CO2 en stikstof uitpuffen. ‘Au!’ roept het klimaat. En dan nog iets dat schuurt: die bloesjes, jasjes, rokken, opwaaiende zomerjurken en oogstrelende lingerieën worden onder erbarmelijke omstandigheden geconfectioneerd door kindslaven die net genoeg betaald krijgen voor wat vodden aan hun kont.

De oplossing? ‘Minder hebben, meer delen.’ Als we dat principe omarmen, redden we de wereld. Dus: allemaal naar de kledingbibliotheek. Je leent er geen boeken maar broeken. Tegen een passende vergoeding. Voor niets gaat de zon op. Maar kopen of lenen, de mode-industrie draait gewoon door, kinderarbeid zien we door de vingers, de afvalberg blijft groeien. Mijn oplossing: wees blij met wat je hebt hangen in je overvolle garderobekast en koop of leen eens een jaar lang niets.

Sorry, ik woon in de Creuse

Toegegeven, ik heb makkelijk praten. Ik zit niet op Instagram, ik ben geen influencer. Als ik iets op Facebook zet, mag ik in mijn handen knijpen met zes tot zeven likes. En bovenal: ik woon in de Creuse, in het hart van Frankrijk, waar helemaal niets is te doen.  Ik hoef nooit ergens heen, behalve zo nu en dan naar een begrafenis. Daar heb ik een nog respectabele zwarte broek voor, neutraal van snit, aangeschaft in 1984. Hij zat toen een tikkeltje ruimer dan nu, maar ik houd gewoon mijn adem in. Iedereen denkt daardoor dat ik mijn best doe om mijn verdriet om de overledene te verbergen. Na afloop hoor ik vaak: “Je had het moeilijk, hè, jongen”, terwijl ik de dode meestal niet of nauwelijks kende.

Buiten mijn uitvaartbroek red ik me al jaren met twee spijkerbroeken (één voor als de andere in de was is en andersom), een zomerbroek van onberispelijke kwaliteit uit de periode dat ik nog in Friesland woonde, ruim twintig jaar geleden, een retro-colbert en een half dozijn overhemden met korte en lange mouw. De samenstelling en omvang van mijn ondergoedcollectie is een privékwestie. Mijn garderobe is in de context van mijn woon- en leefomstandigheden niet uitzonderlijk bescheiden. Er zijn mannen in de Creuse die het met minder doen.

De meisjes in de Creuse malen niet om mode

Ook de meisjes en vrouwen in de Creuse lappen de dwingelandij van de modewereld aan hun laars. Ze hebben één jurk of één ensemble voor zowel droevige als feestelijke gelegenheden. Dat heeft een groot voordeel. Wie slecht is in namen bij gezichten, vindt houvast in direct herkenbare kledingstukken. Verder hebben de dames in de Creuse gemiddeld twee jurken voor doordeweeks, één spijkerbroek en één terlenka pantalon die is berekend op de reeds bestaande of toekomstige noodzaak tot anti-lek-voorzieningen. En het mirakel is: gemeten naar het actuele modebeeld is de houdbaarheidsdatum van de kleding al jaren verstreken en tóch ziet elke outfit eruit als nieuw.

Dat zit zo. Vanaf het moment dat ze opstaan, vroeg in de ochtend, tot het moment waarop ze naar bed gaan, niet al te laat in de avond, dragen de vrouwen in de Creuse hun plattelandsuniform. De Fransen spreken liefkozend van robe-tablier – jurk en schort ineen. Galant, vrouwelijk en functioneel. Rommel en knoei maar raak, achter het aanrecht of elders, je dagelijkse goed blijft er knap bij. Nieuwe kleren kopen? Nergens voor nodig. Kleren lenen in de bibliotheek? Doe effe normaal, man.

Durf trendy én duurzaam te zijn!

De goudeerlijke robe-tablier, verkrijgbaar in eigentijdse kleuren en trendy of klassieke patronen, is het enige probate middel tegen oprechte koopschaamte. Made in France, van stijlvast en duurzaam katoen. Er komen geen kinderslaafhandjes aan te pas en hij gaat een leven lang mee. Dus, modemeisjes aller landen, gooi de schroom en schaamte van je af en doe nog één keer een ultieme aankoop. Schaf een authentieke Franse robe-tablier aan, leef in het moment, en zet jezelf in je nieuw verworven kledingstuk als statement op Facebook en Instagram. Durf trendy én duurzaam te zijn!

 

 

De klokkentoren van Aubusson

De klokkentoren van Aubusson

Het is stil in Aubusson. De straten zijn verlaten. Het is eerste kerstdag, een serieuze familieaangelegenheid. De middag breng je door aan tafel. Wij niet. Wij bewaren de foie gras en oesters voor vanavond. Om de eetlust op te wekken ondernemen we een klim naar de klokkentoren van Aubusson.

De klokkentoren van Aubusson

Aubusson is heel Frans. Franser bestaat niet. Op doordeweekse dagen raast er veel verkeer door veel te nauwe straten. Sommige gevels zien zwart van roet, als Moriaantje. Er is veel leegstand. Panden die ooit de glorie van de oude tapijtstad weerspiegelden, wachten op restauratie. Daar is meestal geen geld voor. Maar er is hoop. In de kleine middeleeuwse kern van de stad bloeien gewaagde initiatieven. Voorname gebouwen rond de rivier de Creuse, die Aubusson doorklieft, werden samengeknoopt tot smaakvol wellness-resort, waar de welgestelde toerist kan eten, slapen en in zijn blote kont kan rond spetteren dat het een lieve lust is. Maar vandaag niet. Vandaag is eerste kerstdag. Alles is gesloten.

Een restauratiepotje voor de klokkentoren van Aubusson

Voor de klokkentoren van Aubusson werd gelukkig wel een restauratiepotje gevonden. La Tour de l’Horloge maakte in lang vervlogen tijden onderdeel uit van de verdedigingswerken van de stad die in de zestiende tot de negentiende eeuw rijkdom en welvaart vergaarde met een bloeiende tapijtknoopindustrie. Elk zichzelf respecterende slot of paleis in Frankrijk heeft ten minste één handgeknoopt kleed uit Aubusson aan een wand hangen. Het liefst meer. De industrie viel in de aanloop naar de twintigste eeuw op zijn gat en sleepte de stad mee in het verval. Onze eigen Philips bracht nog een tijdlang werkgelegenheid, maar ook dat is verleden tijd. Er is nog wel een klein, somber kantoor waar men terechtkan voor het Philips-pensioenfonds. Ik zag er nooit iemand binnengaan.

De toren is in de zestiende eeuw gebouwd en was bedoeld om vanuit de hoogte vijandelijke bewegingen in de Vallei van de Creuse in de peiling te houden. Op de hoed liggen leitjes van kastanjehout, in overeenstemming met een oude dakdekkerstraditie in de Creuse. De klok is ook uit de zestiende eeuw. Hij draagt de handtekening van een door kenners en verzamelaars gewaardeerde, plaatselijke klokkenmaker, A. Montagnon genaamd. Het uurwerk werd in de toren aangestuurd door een ingenieus, op gewichten lopend mechanisme. Dit werd vervangen door een elektrisch systeem, zodat er niet langer iedere dag iemand heen hoeft te klimmen om de gewichten omhoog te takelen. Dit verklaart waarom er op de voorzijde van de toren, links van de deur, een plastic oog zit, waarmee de meteropnemer de stand kan in scannen. Niemand kwam op het idee om hier iets te doen met zonne-energie.

De laatste getuige

De klokkentoren van Aubusson is de laatste getuige van de oude vesting die de stad ooit omarmde. De rest werd in de achttiende eeuw afgebroken toen de stad hoognodig gemoderniseerd moest worden. Het rotsachtige plateau rond de klokkentoren, dat in 2001 in het kader van de laatste restauratie werd gerealiseerd, biedt een indrukwekkend uitzicht op Aubusson. Heel veel meer valt er niet over te vertellen.

We dalen op ons gemak af naar de rivier. De zon schijnt aangenaam, het is dertien graden op deze mooie eerste kerstdag. Dat heeft vast iets van doen met de klimaatverandering. We hebben zin in koffie, maar alles in de stad is dicht. Het is stil in de straten. De mensen zijn gaan eten. We wandelen naar de auto, mijmerend. Zo’n oude klokkentoren in je rug, met zo’n veelbewogen geschiedenis, doet je eens te meer beseffen dat we uiteindelijk allemaal door de tijd worden ingehaald.

 

De klokkentoren van Aubusson

Persoonlijk adieu aan Jacques Chirac

Een persoonlijk adieu aan Frankrijks laatste grote president, Jacques Chirac

Op maandagavond 27 december 1999 zaten mijn vrouw en ik genoeglijk aan tafel in ons eerste huisje in de Creuse. Plots hoorden we buiten een ons onbekend, vrees aanjagend en aanzwellend geloei. We openden de deur. Voorzichtig, op een kier. We werden terstond naar binnen geblazen. Iets later ging het licht uit. Een geluk bij een ongeluk: we beschikten over een royale voorraad kaarsen. We kwamen de nacht zonder kleerscheuren door. Ons huisje bleek stormbestendig. De volgende dag, na ons een eerste indruk te hebben gevormd van de ravage in de omgeving, maakten we kennis met de zojuist overleden oud-president Jacques Chirac.

 

Adieu aan Jacques Chirac

 

Ja, je leest het goed. We maakten persoonlijk kennis met deze grote president. Op dinsdagavond 28 december zaten wij wederom in onze knusse woonkeuken. De houtoven snorde. De storm had ons weliswaar van de buitenwereld afgesneden, honderden elektriciteitsmasten waren als lucifershoutje geknapt, kabels krioelden over de wegen, maar wij waren niet voor één gat te vangen. Wij waren in het rijke bezit van een transistorradio met verse batterijen. Zo kwam het dat wij er met zacht kaarslicht bij waren toen Jacques Chirac ons departement moed insprak. Hij opende met de historische woorden: La Creuse est blessée.

En zij wás gewond, de Creuse. De tempête, die Martin werd gedoopt, sloeg in als een bom. Er werden windsnelheden van ruim 150 km/u gemeten. Bossen gingen plat, daken vlogen van huizen en schuren, schoorstenen legden het loodje, er vielen gewonden en een enkele dode, duizenden huishoudens kwamen zonder stroom te zitten. Daartoe behoorde ook het onze. Meer dan tien dagen moesten we het stellen zonder licht. Het leek wel oorlog, al had ik die nooit meegemaakt.

Troostende woorden van Jacques Chirac

Telkens als het me zwaar te moede werd, die donkerte en dat flakkerende kaarslicht, dacht ik aan de gedragen woorden van onze president, uitgesproken met die karakteristieke, aristocratische, donkerbruine, sonore stem. La Creuse est blessée. Gevolgd door oprechte uitingen van troost en solidariteit en de belofte dat de republiek er alles aan zou doen om de schade te herstellen. Het komt weer goed, zei de president, alors… En het kwam goed. Al is de schade aan de bossen van de Creuse tot op de dag van vandaag zichtbaar.

Onze paden bleven elkaar kruisen. Dankzij Jacques Chirac werd de Limousin met een voortreffelijke, tolvrije, snelweg aangesloten op Parijs. Dat kwam ons goed uit, want zo waren we sneller bij ons geliefde huisje dat toen nog een secondaire was. Boze tongen beweren dat de president zo voortvarend te werk was gegaan om zich vanuit het Élysée snel en comfortabel per dienstauto naar zijn familiekasteel in de Corrèze te kunnen verplaatsen. En vice versa. Onzin natuurlijk. Maar welke Franse president krijgt de wind niet van voren van zijn ondankbare citoyens?

Toen wij  enkele jaren geleden besloten om naast ons verblijf in de Creuse een pied à terre te nemen in Brive-la-Gaillarde, het heerlijkste stadje van Frankrijk, begrepen we pas goed hoe groot en geliefd onze president was. Hij wordt in Brive op handen gedragen. Geen kwaad woord! Er zijn wel vijf boetieks waar je shirts kunt kopen met de beeltenis van de oud-president. En het is altijd druk in die winkeltjes. In het Musée du Président Jacques Chirac, waar al zijn staatscadeaus liggen uitgestald, ontdekten we dat de president ook zichzelf een toffe kerel vond. In een ruime zaal straalde hij ons vanaf alle wanden in legio posities met zijn charismatische kop tegemoet.

Jacques Chirac, voor veel Fransen de laatste grote president

De contacten waren innig. Ik zal ze missen. Volgens veel Fransen was Chirac de laatste grote president. Sarkozy, Hollande en Macron zijn scharminkels, vergeleken bij de boomlange (1.90 m) levensgenieter en charmeur die met het grootste gemak van de wereld meedraaide met elke politieke wind of storm. Zijn persoonlijke tempête, een proces vanwege vermeende malversaties als burgemeester van Parijs, liep in 2011 met een sisser af. Chirac werd veroordeeld tot twee jaar voorwaardelijke gevangenisstraf, maar hoefde nooit te brommen.

In die donkere periode, waarin het woord corruptie als een schaduw over zijn grandeur hing, stak ik hem menigmaal een hart onder de riem. Kop op, mon grand! In de Creuse en Corrèze houden we van je. Neem nog een ortolaantje en laat ‘m je smaken! Als ze het in hun hoofd halen om je op water en brood te zetten, trekken we gele hesjes aan en bestormen we de Bastille. Het hoefde er nooit van te komen, gelukkig. En nu is hij dood. Met dankbaarheid denk ik terug aan onze Grote President, aan Mr. 5 minutes, douche comprise. Jaren geleden waarschuwde hij al voor de klimaatramp die zich voltrekt. Met de woorden: ‘Ons huis staat in brand, en wij kijken de andere kant uit.’ Hij werd 86. Een mooie leeftijd. Maandag is een dag van nationale rouw. Mijn zwarte pak hangt klaar voor de staatsbegrafenis.

Limoges-Bénédictines

Limoges-Bénédictins

Limoges-Bénédictins, vaak loop ik er even binnen als ik in de porseleinstad moet zijn. Niet dat ik er iets te zoeken heb, hoogst zelden hoef ik ergens heen, maar ik houd van de kalme dynamiek en verwachtingsvolle ambiance van middelgrote, Franse treinstations. Ook raak ik meteen in een reisstemming van het zoete melodietje dat voorafgaat aan de dienstmededelingen van de Franse spoorwegen. Ta-ta-tá-la. Als ik dat hoor, kocht ik het liefst een kaartje naar een onbekende bestemming. Naar zee of naar de bergen, dondert niet wat.

Limoges-Bénédictins

De SNCF liet de vier tonen in 2005 componeren als onderdeel van een charmeoffensief. De reiziger moest de Franse spoormoloch gaan ervaren als een bedrijf met een menselijk gezicht. De beslissing om de tonen door een warme vrouwenstem in te laten zingen, pakte briljant uit. Je voelt je persoonlijk aangesproken en meteen op je gemak. Met die mevrouw wil je de treinreis wel wagen.

Op elke hitlijst kom je Limoges-Bénédictins tegen

Ze heet Simone Hérault, deze mevrouw. Ze is actrice en radiopresentatrice en werd uit vele gegadigden gekozen tot dé stem van de Franse spoorwegen. Op meer dan drieduizend Franse stations klinkt ze met een hoge frequentie uit de luidsprekers. Ta-ta-tá-la. Naar verluidt hoorde David Gilmore, de legendarische gitarist, zanger en songwriter van Pink Floyd, de jingle op het station van Aix-en-Provence. Hij nam de noten met zijn mobieltje op en gebuikte ze later voor een groove voor een van zijn nummers van zijn soloalbum Rattle that Lock dat in 2015 uitkwam.

Hij staat op vrijwel elke hitlijst van mooiste stations, Limoges-Bénédictins. Sinds 15 januari 1975 heeft de frivole mengelmoes van elementen uit de late art nouveau en de klassieke Romeinse bouwkunst de status van historisch monument. Met zijn koepelvormige, rijk geornamenteerde aankomsthal, waar het licht eerbiedig gefilterd naar binnen valt, is Limoges-Bénédictins een ware tempel voor de treinreiziger.

Gebouwd op gewijde grond

Het station werd op gewijde grond gebouwd. Zoals de naam doet vermoeden, stond op dit hoge punt aan de rand van de stad ooit een Benedictijnenklooster. In de middeleeuwen was dit een toevluchtsoord voor lepralijders, later ving het klooster de ‘gevallen meisjes’ van de stad op. Nog weer later deed de abdij respectievelijk dienst als kazerne en gevangenis. In 1852 vielen de religieuze gebouwen ten prooi aan de sloophamer. De basis voor het treinstation werd in 1856 gelegd door wat toentertijd de Compagnie du chemin de fer de Paris à Orléans heette.

‘Een berg varkensreuzel’

Het besluit om hier een eigentijds station te bouwen, klaar voor de nieuwe tijd, viel op 21 november 1918. In 1924 werd de eerste steen gelegd en in 1929 nam de stad haar station officieel in gebruik. De bewoners waren niet onverdeeld enthousiast. De bouwkosten waren danig uit de hand gelopen en men vond het resultaat pompeus, aanstellerig. Het station werd in de krant vergeleken met een ‘berg varkensreuzel’ en een ‘paté van zand en steen’. Nu zijn de inwoners van Limoges unaniem trots op hun monument dat de stad naar alle windrichtingen ontsluit.

Ook ik wandel er graag even binnen, als ik in de stad ben. Onder de hemelse koepel die de aankomsthal overspant, sluit ik altijd even mijn ogen en luister ik naar Simone Hérault en de verleidelijke bestemmingen die volgen op haar zoetgevooisde tonen. Ta-ta-tá-la. Parijs, Poitiers, Périgueux, Toulouse. Het maakt een weemoedig verlangen naar verre horizonten in me wakker. Dat duurt niet lang, want, zoals ik al zei, ik hoef maar zelden ergens heen. Dus keer ik de kalme dynamiek van Limoges-Bénédictins weer snel de rug toe en slenter ik naar het oude stadscentrum. Daar ga ik op zoek naar een aardig terras om in de luwte een glas te drinken.

Limoges-Bénédictins, tempel voor de treinreiziger

 

 

 

Een lichtpunt voor de dode zielen

Een lichtpunt voor de dode zielen

Noem het een ritueel. Rond Allerzielen onderneem ik de klim naar Saint-Goussaud, vijf kilometer van huis, op zevenhonderd meter hoogte. Over de slingerende bosweg, via het slaperige dorp Champegaud,  doe ik er een goed uur over om mijn eindhalte te bereiken: de Lanterne des morts. Vroeger werd in de top van de elegante dertiende-eeuwse toren na zonsondergang een vlam ontstoken. Het lichtpunt diende de dode zielen tot baken. Waar ze ook rondspookten, van verre zagen ze: daar is mijn rustplaats.

Een lichtpunt voor de dode zielen

 

Waarom weet ik niet, maar de meeste bewaard gebleven dodenlantaarns bevinden zich in de Limousin. Die van Saint-Goussaud behoort tot de mooiste exemplaren. Rond de toren lag in vroeger tijden naar alle waarschijnlijkheid een knekelveld. Dat is nu leeg.  Dat maakt de plek extra mistroostig, zeker in de herfst, als de omgeving in nevelen gehuld is. Het nevelt vaak en lang in het laaggebergte van Saint-Goussaud. Je voelt gewoon dat de dood alomtegenwoordig is – Hein houdt zich eerbiedig stil, maar ik ben op mijn qui-vive.

Meestal, als ik de eindhalte heb bereikt, dwalen mijn gedachten als eerste af naar mijn moeder, zoals dat hoort, rond Allerzielen. Zij overleed in 1998. Zij stierf een ongelukkige huisvrouwendood. Terwijl ze een pan op het vuur wilde zetten, knapte er in haar hoofd een leidinkje. Mijn vader, gealarmeerd door het gekletter, vond haar op de keukenvloer, bij een plasje water en acht geschilde piepers. Zij werd ijlings naar het ziekenhuis getransporteerd, waar ze een kleine week in coma lag. Om beurten hielden we de wacht, tot ze, kort voor kerstmis, de geest gaf. Mijn vrouw en ik waren die nacht aan de beurt. Mijn moeder schoot overeind, kneep mijn vrouw die naast haar aan bed zat hardhandig in haar arm, viel terug in het ziekenhuiskussen, en blies fluisterend haar laatste adem uit. Mijn vrouw zag als reactie op deze laatste stuiptrekking – iets anders kan het niet geweest zijn – voor even witter dan mijn moeder.

‘Daar vind je wat, hier laat je wat’

Ik denk in het bijzonder aan mijn moeder, omdat zij zich niets kon voorstellen bij mijn al vroeg gewortelde idee om ooit naar Frankrijk te verkassen. Als het idee ter sprake kwam, vatte ze de conversatie steevast als volgt samen: ‘Ach, daar vind je wat, hier laat je wat.’ Daarmee was de kous voor haar af. Dat we op een goede dag werkelijk voorgoed vertrokken, mijn vrouw en ik, maakte mijn moeder niet meer mee. Mijn vader wel, want die overleed wat later.

Mijn moeder hoefde nooit ergens heen. Ze deed haar dagelijkse boodschappen bij de buurtsuper en pendelde noodzakelijkerwijs op haar onafscheidelijke sloffen tussen de woonkamer en de keuken, wat haar uiteindelijk fataal werd. Het liefst zat ze. Meer en meer leek ze te versmelten met de lederen kussens van haar robuuste luie stoel uit Oisterwijk, opgesteld in de richting van de kleurenteevee.

Ik herinner me dat ze niet graag gestoord werd als ze vroeg in de avond naar The Bold and the Beautiful keek, dat tussen 1990 en 2006 werd uitgezonden door RTL4 en sinds kort terug is van weggeweest. Wat haar zo intrigeerde aan deze soap was en is me een raadsel. Ik heb er nooit naar gevraagd. Thuis was ze veilig, mijn moeder, thuis, in haar eigen wereld, die ons, nadat we het ouderlijk huis verlieten, steeds onbekender werd. Kwamen we langs, dan reageerde ze eerder verstoord dan verrast. Ze trok wel bij, uiteindelijk, maar de motor moest op gang komen.

Vakantiepaniek

Uit mijn jeugdjaren herinner ik me dat bij mijn moeder meteen paniek uitbrak zodra de datum was vastgesteld waarop we in gezinsverband op vakantie zouden gaan, met een vouwwagen achter de Opel Kadett. Ze begon dan verwoed te hamsteren voor ‘onderweg’. De vouwcaravan werd volgestampt. Bij vertrek moest mijn moeder onder dwang in de auto worden geduwd. En dan snel het portier dicht. De gehele reis, soms tot diep in Oostenrijk, hield ze haar rechterhand angstvallig om de handgreep boven het zijraam geklemd.

Vakantie was voor mijn moeder bepaald geen verzetje. Dat leek later, bij de eerste lichting kleinkinderen, iets te verbeteren. Bij de tweede lichting zakte het kwik alweer snel tot onder het vriespunt. Uiteindelijk gaf mijn vader het op. In haar hele leven heeft mijn moeder slechts twee keer gevlogen. Om mijn zus en haar gezin te bezoeken in Tanzania, waar ze waren neergestreken vanwege een tweejarig bouwproject waar mijn zwager bij betrokken was. Eens maar nooit weer, wat mijn moeder betrof. En Tanzania? Veel te warm.

Langzaam dooft het kaarsje

Waren er meer moeders geweest zoals mijn moeder, dan had het met de opwarming van de aarde zo’n vaart niet gelopen, denk ik, terwijl ik de Lanterne des morts achter mij laat. De mist lost op. Ik passeer de chaletachtige bistro van Saint-Goussaud. Hij staat alweer lange tijd te huur. De laatste poging om er iets van te maken, werd ondernomen door een Engels, wat wereldvreemd stel. De eerste weken kwam er wel wat klandizie. Uit nieuwsgierigheid. Langzaam doofde het kaarsje. Zo gaat dat al jaren, in de Creuse. Ik loop langs de kerk en de ‘nieuwe’ begraafplaats die is omgetoverd tot een lustoord. Op alle zerken bloeien weelderige chrysanten, het is een zee van kleuren. Frankrijk wil niet treuren om zijn doden, maar viert de gedachte dat ze eindelijk, na een trage martelgang in het vagevuur, mogen verschijnen voor Gods aangezicht. Het klikt als een troostrijk idee, maar ik geloof ik er geen snars.