Frankrijk in Amsterdam

Frankrijk in Amsterdam

In het weekend van 27 en 28 februari ademt Amsterdam knoflook. Dat dankt de hoofdstad aan de Franse Vakantiedagen, een charmant initiatief van Publièra Publishers, uitgever van de Frankrijk-titels En RouteCôte & Provence en Maison en France. Centraal staat een kleinschalige vakantiebeurs in de Zuiderkerk, vlakbij het Rembrandthuis in hartje Amsterdam.

Frankrijk in Amsterdam

Ambassadeurs van Frankrijk

Tijdens de vakantiebeurs kun je kennismaken met de beste ‘ambassadeurs van Frankrijk’, belooft de organisatie op zijn website. Dat zijn eigenaren van vakantie- en gasthuizen, vertegenwoordigers van diverse Franse regio’s, uitbaters van campings en gepassioneerde liefhebbers van de Franse keuken. Op zaterdagavond ondergaat de Zuiderkerk een metamorfose. Een sfeervolle Soirée Française sluit het vakantie-evenement af. Aan een lange table d’hôte wordt een veelbelovend Frans menu geserveerd.

J’Aimsterdam

Bezoekers krijgen bij aanschaf van een entreebewijs de speciaal ontwikkelde app J’Aimsterdam cadeau. Deze voert je via je smartphone naar de meest Franse plekjes in de hoofdstad. Denk aan de Franse boekhandel Le Temps Retrouvé aan de Keizersgracht, Fromagerie Abraham Kef in de Marnixstraat, Patisserie Tout in de Maasstraat en de Franse bakkerij van de gebroeders Niemeijer aan de Nieuwendijk. Ook vind je een reeks Frans georiënteerde restaurants op de route.

Voorpret en inspiratie

‘Voorpret en inspiratie’, zo luidt het motto van de Franse Vakantiedagen in Amsterdam die een prima aanloop zijn naar het vakantieseizoen. Inspirerend wordt het zeker, gezien de kwaliteit van de exposanten

Wil je voor- of achteraf nog eens extra inspiratie opdoen vanuit je luie stoel, blader dan ook eens door de veelzijdigheid aan bestemmingen in één van de aardigste online Frankrijk-vakantiemagazines

 

©

Ton Hilderink

 

Foie gras uit Frankrijk

Vet in Frankrijk

 ‘Vet’, zegt de jeugd in Nederland. Bepaalde dames en heren die niet meer zo piep zijn, nemen de term dankbaar over om te bewijzen dat ze er helemaal bij horen. Als men in Frankrijk ‘vet’ zegt  – gras – dan heeft men het negen van de tien keer over foie gras, de vette lever van de gans of eend, dé ouverture van het traditionele kerstmaal.

 

Foie gras uit Frankrijk

 

Jaren geleden werden mijn vrouw en ik door onze Franse overburen uitgenodigd voor de traditionele kerstmaaltijd, de Réveillon de Noël. Deze wordt op kerstavond genoten, op 24 december dus, bij voorkeur in familieverband. Dat wij, buitenstaanders én buitenlanders, mochten aanschuiven, beschouwden wij als een eer. Ter gelegenheid van het feestmaal had oma een huisgemaakte foie gras de canard bereid. Deze werd plechtig aangesneden; wij hielden onze adem in. De bordjes gingen rond en er brak onder de kinderen en kleinkinderen een kakofonie van hoon en scherpe commentaren los.

Een gestigmatiseerde delicatesse

Wat was het geval? De foie gras was korrelig en vlekkerig en zat vol rode adertjes. Gaan we dit eten? ‘Geen sprake van’, riepen de kinderen en kleinkinderen in koor. Opa zweeg, oma keek beteuterd. De oudste kleinzoon, Julien, werd naar de voorraadkelder gestuurd. Hij kwam terug met enkele rechthoekige conservenblikken die zijn vader, Jacquie, behendig opende en vervolgens boven een sierlijk plateau ondersteboven hield. De vettige blokken die er traag uitgleden, werden met een soort snaar in fijne plakken gesneden. Deze werden netjes over onze borden verdeeld. Ik zag meteen het verschil: de foie gras was egaal van kleur, fijn en gelijkmatig van textuur en vrij van bloedsporen. Zelfs oma, die, zo wisten we intussen, koppig kon zijn, gaf zich gewonnen. Zo aten we alsnog foie gras. En zo hóórt het, in Frankrijk. Geen traditioneel kerstmaal zonder vette eenden- of ganzenlever. In de loop der jaren is mijn liefde voor deze in Nederland gestigmatiseerde delicatesse sterk toegenomen. Ook mijn eigen lever dreigt dientengevolge langzaamaan te vervetten.

Wat bij mij een proces van jaren is, gebeurt bij de gans of eend die voor dit lot geboren is in enkele weken. Na veertien dagen veilig dommelen in een warm kuikenverblijf, mogen de eenden en ganzen als ze genoeg veertjes tegen de kou hebben, onbeperkt buitenspelen. Twee tot drie maanden leven ze in relatieve vrijheid, meestal op een modderig knollenveld. Zijn de vogels tien tot twaalf weken oud – ze zijn dan volwassen – dan worden ze opgehokt in een hermetisch afgesloten, geconditioneerde ruimte. Daar gaan ze dagelijks enkele keren aan een infuus. Het eten wordt ze dan letterlijk in overvloed door de strot geduwd. Op de lever vormt zich vet en in korte tijd dijt dit vitale orgaan tot absurde proporties uit. Niet leuk, voor Pino.

‘Handen af van onze foie gras!’

‘Niet leuk? Het is je reinste marteling!’, roept de ware dierenliefhebber. In Nederland durft geen restaurant nog foie gras op de kaart te zetten, angstig als men is voor de priemende struisvogeloogjes en geheven vingers van de dierenwelzijnspolitie. Grote chefs halen bakzeil. ‘Vet’, zeggen de jongens en meisjes van Wakker Dier. De sterke arm van hun gelijk reikt ver, maar niet tot in Frankrijk. Hier zeggen we: handen af van onze foie gras!

De vette eenden- en ganzenlever die de smeuïge basis vormt voor een grote variëteit aan delicate producten en gerechten, belichaamt een eeuwenoude traditie waar de Fransen buitengewoon prat op gaan. Maar dat niet alleen: de eenden- en ganzenhouderij en de hele industrie eromheen is een economische grootheid. Er zijn euro’s en banen mee gemoeid, nog los van de gastronomische reputatie van Frankrijk. Dat je van een vetgemeste eenden- of ganzenlever allerlei lekkernijen kunt maken, is trouwens geen Franse ontdekking. De vetmesterij is ontstaan in het oude Egypte, getuige een fresco uit een graftombe waar circa 4500 jaar geleden een of andere gebalsemde Egyptische bobo in werd opgeborgen. De fresco toont een slaaf die een gans vasthoudt bij zijn lange strot en met lichte dwang vijgen in de snavel propt.

Foie gras traditie in FrankrijkVia de Romeinen valt de vette-lever-cultus vroeg in de 18de eeuw op vruchtbare bodem in met name Zuidwest Frankrijk, gelijktijdig met de opkomst van de maisteelt. Kleine boeren mesten hun ganzen en eenden vooral vet voor eigen gebruik; de kunst van het inmaken, aanvankelijk in glazen en aardewerken potten en schalen, heeft een praktische reden: zo kunnen de producten bij gebrek aan een koelkast langer worden bewaard. Niet alleen de boeren vullen hun eigen buiken, ook aan het Franse hof wordt foie gras in korte tijd razend populair. Zo ontstaat er toch nog een vorm van égalité, nog voor in 1789 de Revolutie uitbreekt. De boeren uit Zuidwest Frankrijk, met de Périgord als centrum, produceren al snel meer dan ze op kunnen. Foie gras is tamelijk machtig. Spoedig schieten ambachtelijke conserveringsbedrijven als paddenstoelen uit de grond. De opmars van de industrie is niet meer te stuiten. Frankrijk omarmt de vette lever van Moeder Gans en Donald Duck.

Canard de Barbarie

Intussen is Frankrijk met 55% van de totale productie de grootste wereldproducent. Jaarlijks wordt er 18.820 ton aan vette lever geproduceerd. Daarvan gaat 2.278 ton de grens over, goed voor circa € 57,5 miljoen. De export loopt trouwens terug, omdat over foie gras in steeds meer landen een banvloek wordt uitgeroepen, net als in Nederland. De meeste Fransen trekken zich daar geen snars van aan. 80% van alle Fransen eet foie gras, met de feestdagen als hoogtepunt. De jaarconsumptie per huishouden wordt geschat op 635 gram. De binnenlandse afzet vertegenwoordigt een waarde van ruim € 2 miljard. Foie gras biedt 30.000 Fransen directe werkgelegenheid en nog eens 100.000 indirecte. Van alle vette lever die de liefhebber bereikt, is 97% eendenlever – foie gras canard. Saillant detail: de meest geschikte eend heet canard de Barbarie.

De rauwe vette lever (foie gras cru) wordt meestal direct verwerkt of verkocht om dat zelf te doen, thuis, zoals onze onfortuinlijke oma ter gelegenheid van onze eerste Réveillon de Noël. De bewerkte foie gras is er in drie officieel vastgelegde verschijningsvormen:

– Foie gras entier

– Foie gras

– Bloc de foie gras

De foie gras entier is gegarandeerd gemaakt uit één en dezelfde vette lever. Er kunnen smaakmakers als zout, suiker, kruiden, aromatische planten, eau de vie, likeur of wijn aan worden toegevoegd. De foie gras is gemaakt van de lever en kwabben van diverse vogels van gelijke origine. Al of niet met de eerder genoemde toevoegingen. De bloc de foie gras is gemaakt van stukjes lever en kwab van onduidelijke herkomst.

Dan heb je als afgeleide kwaliteiten:

Parfait de foie gras (75% vette ganzen- of eendenlever)

Pâté, purée, mousse of galantine de foie gras (50% vette ganzen- of eendenlever)

Van mij mogen ze allemaal…

Moeder gans in FrankrijkEr zijn twee conserveringstechnieken die van invloed zijn op de textuur, smaak en houdbaarheid. De mi-cuit of semi-conserve is de meest pure vorm. Hier is de vette lever bij een niet al te hoge temperatuur gepasteuriseerd. Hij wordt meestal aangeboden in een bokaal of terrine. De houdbaarheid is beperkt. Let op de houdbaarheidsdatum. De cuit of a conserve, die onder een hogere temperatuur wordt gesteriliseerd, is wat fijner van textuur en jaren houdbaar.

Net als voor wijnen bestaan er voor foie gras producten tal van prijzen en appellations. Hoe meer keurmerken en onderscheidingen, hoe duurder. Label Rouge is de duurste. Er bestaat, tot slot, ook een biologisch label: AB (Agriculture Biologique). Liefhebbers die zeggen dat deze omwille van de diervriendelijkheid wél mag, leiden de welwillende consument om de tuin. Het label garandeert milieuvriendelijke productie- en verpakkingsprocessen, maar Pino wordt op dezelfde wijze vetgemest als op de traditionele ganzen- of eendenfarm.

Van mij mogen ze allemaal – biologisch of niet.

Onze kerstdis opent met vet uit Frankrijk.

 

Petanque is dé sport van Frankrijk

Frankrijk zet in op Olympische status jeu de boules

Wereldwijd spelen meer dan 200 miljoen mensen de een of andere variant van jeu de boules. Dat is één van de zeven argumenten om aan het spel de Olympische status te verbinden. De internationale bond van de sports de boules heeft zich onlangs kandidaat gesteld voor de spelen van 2024. Het promotiefilmpje dat de kandidatuur ondersteunt swingt de pan uit.

 

Frankrijk is de grootste beoefenaar van jeu de boules. Hier heet het spel officieel Petanque. De oorsprong van het spel is Frans/Italiaans. Maar het spel wordt wereldwijd beoefend. In Thailand is een eigen variant de nationale sport en ook Zuid-Amerika en China hebben hun eigen variant. Er bestaan serieuze wereldkampioenschappen jeu de boules, dus waarom zou het geen Olympische sport kunnen worden?

7 argumenten

Claude Azéma, President van de Conféderation Mondiale des Sports de Boules (CMSB), opgericht in 1985, gevestigd in Monaco, omkleedt de kandidatuur met 7 argumenten:

1. Jeu de boules wordt wereldwijd gespeeld binnen diverse nationale competities

2. Ruim 200 miljoen liefhebbers beoefenen jeu de boules in verenigingsverband

3. Er bestaan wereldwijd 262 Jeu de Boules bonden, verdeeld over 165 landen

4. Jeu de boules kan door iedereen gespeeld worden – jong, oud, man, vrouw, met of zonder handicap

5. Jeu de boules is een schone sport die wordt beoefend met respect voor het milieu

6. Jeu de boules is goed voor ieders gezondheid en draagt bij aan zelfbeheersing

7. Jeu de boules is bij uitstek een sociale sport

Velen van ons zien Jeu de Boules nog als ‘spel’. Maar Claude Azéma weet zeker dat we er na 2024 met hele andere ogen naar zullen kijken als de droom van zijn bond in vervulling gaat.

Slimme timing

Hoe groot is die kans? Dat hangt sterk van de omstandigheden af, volgens Twan Beckers, directeur van de Nederlandse Jeu de Boules Bond (NJBB). Hij legt uit dat de timing voor de kandidatuur alles te maken heeft met de nominatie van Parijs als locatie voor de Olympische Zomerspelen van 2024. Beckers: “Organiserende landen mogen altijd een paar favoriete sporten voordragen. Vandaar dat Frankrijk nu is gestart met de lobby voor petanque. Valt de keus op Parijs, dan is er een goede kans dat petanque een Olympische sport wordt.”

De NJBB-directeur spreekt bewust van ‘petanque’, omdat er aan het begrip ‘jeu de boules’ een wat oubollig vakantie-imago kleeft. De bond is niet lang geleden een campagne begonnen om de naam petanque ook in Nederland beter tussen de oren te krijgen. Hier is in september 2015 zelfs een speciale site voor gelanceerd als hét nationale competitie- en evenementenplatform: NLpetanque.nl. Er wordt flink aan de weg getimmerd om de sport nóg beter op de Nederlandse kaart te zetten.

Goed oefenen

Nederland telt op dit moment 205 verenigingen, waar 17 duizend leden bij aangesloten zijn. Het aantal ongeorganiseerde vrijetijdsbeoefenaars wordt geschat op 35 tot 40 duizend. “Als petanque de Olympische status krijgt, is dat uiteraard een enorme impuls voor de sport, ook in Nederland”, aldus Twan Beckers, die zich realiseert dat de sport weinig tv-geniek is, wat de kansen verkleint. Hebben wij Nederlandse medaillekandidaten, als het feest desondanks doorgaat? Beckers drukt zich diplomatiek uit: “We hebben in Nederland een paar spelers die zich zeker met de wereldtop kunnen meten.”

Wie met regelmaat een balletje in de lucht gooit en meent niet gespeend te zijn van talent, heeft nog negen jaar de tijd om flink te oefenen. Vaardigheid en concentratie, dáár draait het om.

 

 

Zwart en wit in Frankrijk

Zwarte Pieten dispuut in Frankrijk

De nieuwe Asterix en Obelix is verschenen. In Frankrijk is dat een belevenis. Maar er zit een smet op het stripalbum. Het feest dreigt verstoord te worden. Vanwege blingbling oorbellen en opgepompte lippen.

 

Zwarte Pietendispuut Frankrijk

 

De bevolking van de nieuwe Asterix en Obelix is overwegend wit. De enkele zwarte spelers die er in voorkomen, zijn je reinste karikaturen. Dikke lippen, oorringen, een onnozele uitdrukking. ‘Doof en stom’, als alle pennenlikkers, luidt het oordeel der Romeinen. Kan dat nog, anno 2015?

Nee, zeggen de racisme-watchers van Frankrijk.  Via oude en nieuwe media veroordelen ze de stereotype afbeeldingen scherp. Onzin, zeggen de traditionalisten. De hele strip is gebaseerd op  karikaturen. De ‘beschaafde’ Romeinen en ‘barbaarse’ Galliërs zijn even stereotypisch  neergezet als de gekleurde stripfiguren. Zo stevent Frankrijk af op zijn eigen Zwarte Pieten dispuut, met de laatste editie van het populaire Asterix en Obelix stripverhaal, Le Papyrus de César, als aanleiding. Het wachten is op een uitspraak van de VN.

Hoe fout is de vader van Pippi Langkous?

Eerder was Nederland aan de beurt. Sindsdien lopen de gemoederen ieder jaar hoog op in de aanloop naar 5 december. Ook Zweden kreeg een gevoelige tik op de vingers van de VN-werkgroep voor Mensen van Afrikaanse komaf. Kop van jut: Pippi Langkous. In de oorspronkelijke verhalen is Pippi’s vader de blanke negerkoning van Taka-Tukaland die wordt bediend door zwarte kinderen met stereotiepe dikke lippen, kroeshaar en oorringen. Er klinkt een luide roep om deze scènes uit nog komende herdrukken te verwijderen. Pippi-fans beschouwen iedere vorm van censuur als heiligschennis.

De lippen van Sjimmie en andere ongemakken

Via Asterix en Obelix en Pippi Langkous glijden mijn gedachten af naar een Nederlands stripduo uit mijn jeugdjaren: Sjors en Sjimmie van de Rebellenclub. Ook daar waren de verhoudingen, gezien vanuit de 2015 optiek, op zijn zachts gezegd ‘post-koloniaal’. Ik herinner me Sjors als een tamelijk irritant superieur ventje en Sjimmie als de zwarte schlemiel die op alle fronten onderdoet voor zijn blonde kameraad. Ik herinner me: dikke lippen, blingbling oorbellen en teksten als ‘Sjimmie bang zijn, Sjimmie niks gedaan hebben’. 

Maar dat is verleden tijd. Sjimmie, geboren in de jaren 30, gaat in de jaren 70 naar de plastisch chirurg. Niet om zijn lippen op te laten spuiten, zoals Marijke Helwegen en met haar vele anderen, maar om zijn lippen leeg te laten lopen. En hij laat niet alleen zijn anus bleken, maar neemt van top tot teen een lichtere teint aan, als Michael Jackson, zeg maar. De geschiedenis van kameraden wordt op sjors-en-sjimmie.nl samengevat als Het verhaal van de Rebellenclub tot de multiculturele hiphoppers.

Zwarte Pieten dispuut in Frankrijk

Links: Sjimmie voor zijn bezoek aan de plastisch chirurg (1955) en rechts: Sjimmie nu

De nieuwe Sjimmie is een eigentijdse, licht getinte medelander, met de lippen van de witman, die zich niet langer door zijn autochtone boezemvriend laat aftroeven. Of Sjimmie dankzij de metamorfose minder vaak hoeft te dealen met achterdocht en discriminatie is de vraag anno 2015. Steeds meer witte medelanders keren het multiculturele ideaal de rug toe. Of hebben er nooit in geloofd. In Nederland én Frankrijk. Sjimmie bang zijn.

 

Niet jagen in Frankrijk

Langs berg en dal klinkt hoorngeschal

Ieder jaar, zodra ik langs de bosranden de oranje hesjes zie, slaat bij mij de twijfel toe. Waarom scheppen doorvoede mannen en vrouwen er plezier in om op onnozele beesten te schieten? Maar visualiseer ik een smeuïge ree-ragout, met port en bospaddenstoelen, dan denk ik: heerlijk en 100% eco! Prachtig scharrelvlees uit eigen regio. Is jagen goed of fout? Een mening vormen is een ware worsteling.

 

De jacht in Frankrijk

 

Soms is er geen twijfel mogelijk. Op een zo goed als tamme leeuw schiet je niet. Doe je dat wel, dan ben je een immorele patjepeeër. En als je de belangen van een of ander natuurfonds behartigt, ga je er niet met de ‘old boys’ op uit om in een ver land olifanten af te knallen. Maar hoe ‘fout’ zijn les mecs die op zaterdag of zondag in de heuvels om ons heen op klein en groot wild jagen en met wie ik doordeweeks een geanimeerd praatje maak of een aperitief drink? Eerst wat feiten.

 

1. Met 1.230.000 miljoen actieve beoefenaars is de jacht de derde vrijetijdsbesteding van Frankrijk

2. Sinds de middeleeuwen is de jacht in Frankrijk bij wet geregeld om strooppraktijken te stoppen

3. Voor een jachtvergunning moet een theorie- en praktijkexamen worden afgelegd

4. Sinds de revolutie is de jacht niet meer voorbehouden aan adel en geestelijkheid, maar gedemocratiseerd

5. Sinds 1964 is het aanwijzen van jachtgebieden en -periodes departementaal geregeld

6. Landeigenaren hebben het recht de jacht op hun terrein te verbieden (‘Réserve de Chasse’)

7. De jacht geniet in Frankrijk de officiële status van natuur- en faunabeheer

L’art de vivre

Jachtliefhebbers zijn er altijd als de kippen bij om punt 7 ter verdediging aan te dragen zodra ze op hun geliefde vrijetijdsbesteding worden aangevallen. En dat gebeurt dikwijls. Grofweg kun je stellen dat de helft van Frankrijk geen bezwaar heeft tegen jagen en de andere helft neutraal is of in meer of minder militante mate tegen. Dit is de officiële uitkomst van een onderzoek van de Fédération Nationale des Chasseurs.

Uiteraard heeft de federatie zijn eigen agenda en stijl van onderzoeken en interpreteren. Dat blijkt uit de met zorg gemaakte en gevulde website, chasseurdefrance.com, waarmee ment ijvert voor draagvlak. Het ziet er allemaal professioneel en sympa uit. ‘We doen aan natuurbeheer’, zegt de vereniging, ‘de jacht bestaat sinds de mens bestaat; het is l’art de vivre en ook nog eens goed voor de sociale samenhang.’ Mooie woorden, maar het draagvlak kalft af.

Water, biodiversiteit en… jacht

Niet jagen in FrankrijkWat het argument ‘natuurbeheer’ betreft, hebben de jagers de overheid op hun hand. Alles wat met de jacht van doen heeft, valt onder het Ministère d’Écologie, du Développement durable et de l’Énergie. De verantwoordelijke minister heeft de bijbehorende taken gedelegeerd aan het directoraat van water en biodiversiteit, van waaruit de jacht wordt ondersteund door een twaalfkoppige adviesgroep voor wild- en natuurbeheer. Breng daar maar eens iets tegenin. Toch lijdt de acceptatie van het fenomeen jagen aan slijtage. Volgens kritische online publicisten telt Frankrijk op dit moment nog ongeveer 900.000 actieve jagers, in tegenstelling tot de opgave van 1.230.000 van de jachtfederatie, tegen ruim 2.400.000 in 1975. Het aantal daalt ieder jaar en het leger van tegenstanders groeit nog steeds. In Nederland zien we een andere trend, als we de Gelderlander mogen geloven. Die schrijft, op basis van onderzoek uit 2015, dat 51% van de Nederlanders geen algemeen jachtverbod steunt tegen 38% in 2012. De Gelderlander noemt het onderzoek ‘representatief’. Wilt u weten wie de initiatiefnemer is?  De Koninklijke Jagersvereniging! Belangrijkste reden voor de trendbreuk: steeds meer Nederlanders zouden van een mooi stukje wild houden.

‘Zondag ree-ragout’

En daar wringt ook mijn schoen. Nog steeds kan ik me slechts met de groots mogelijke moeite verplaatsen in de liefhebberij om op je vrije zondag op onnozele hazen, konijnen, herten, reeën, zwijnen, fazanten en houtduiven te gaan schieten. Maak liever een wandeling, zoek paddenstoelen, of ga een potje schaken. Maar wie ben ik om deze eeuwenoude plattelandstraditie te veroordelen? En zegt de overheid niet zelf dat een goede jager ons ecologisch evenwicht dient? Het krioelt in de heuvels waar wij op uitkijken van het wild. De jacht is tamelijk sacré in onze gemeente. Eens per jaar komt een buurjongen aan de deur, een liefhebber in hart en nieren. Het enige dat hij zegt als ik de deur open, is: ‘tiens!’ Daarbij duwt hij mij een kwart ree in mijn armen, netjes verpakt in folie, zodat er straks geen bloed aan mijn handen kleeft. Opgetogen breng ik mijn trofee naar binnen en zeg tegen mijn vrouw: ‘zondag ree-ragout!’

Presidenten in Frankrijk

Presidenten van Frankrijk – kunstminnaars of narcisten?

Presidenten van Frankrijk houden van grandeur. Ze laten ‘hun volk’ graag iets na. Grote Werken in het culturele domein. Wat zit daar achter? Zijn de eerste mannen van de republiek kunstminnaars of narcisten? Ik vond het antwoord in het museum van voormalig president Jacques Chirac.

 

President in Frankrijk

 

Groot. Daar houden presidenten in Frankrijk van. Wat het kost dondert niet, criticasters hebben het nakijken. Onsterfelijkheid, dát is ons streven. En hoe betalen we die? Met de belastingcenten van de gewone man.

We beginnen in 1969, door Serge Gainsbourg bezongen als Année Erotique. In dat jaar neemt de wat stijve Georges Pompidou, oud onderwijzer, de macht over van de illustere De Gaulle, grondlegger van de vijfde republiek, die zich onsterfelijk maakte met zijn memoires. Voor Pompidou is dat niet genoeg. Hij droomt van een mekka voor de moderne kunsten in hartje Parijs. En dat komt er. Over de voor die tijd gewaagde architectuur schreeuwt Frankrijk moord en brand, maar het Centre Pompidou opent in 1977 zijn deuren. Pompidou zelf heeft de sleutel van het Elysée dan al ingeleverd bij de achtenswaardige Valéry Gisgard d’Estaing.

‘Het Franse monopolie van het hart’

Die laat zijn oog vallen op een oud treinstation, Orsay genaamd. Het is liefde op het eerste gezicht. Dit is dé ultieme locatie om een nationaal museum voor de negentiende-eeuwse kunsten in te richten. Kost wat, maar dan heb je ook wat. Het morrende volk wil hem van zijn dure plannen afbrengen, maar Valéry beroept zich op ‘het Franse monopolie van het hart’. Direct bij zijn aantreden steekt hij een stokje voor de sloop van La Gare en kan het Grote Werk beginnen. In 1986 opent Le Musée d’Orsay zijn deuren. De imposante verzameling impressionisten trekt jaarlijks tienduizenden bezoekers.

Honger van socialistische zonnekoning niet te stillen

Dan is de eer aan de notabele socialist François Mitterand. Bij zijn megalomane ambities verbleken die van zijn voorgangers tot gesputter tegen de vergankelijkheid. Eerst creëert hij zijn  Grand Louvre, dat vermaledijde kunstpaleis dat de sluwe Wim Pijbes van ‘ons’ Rijksmuseum onlangs een loer draaide. Met een immense glazen piramide op het centrale plein, La Cour Napoleon, waar iedereen tegen te hoop loopt, wordt het Louvre in 1981 met 75 duizend vierkante meter vergroot. Vervolgens stort de nieuwe zonnekoning zich op de Opéra Bastille en de Grande Arche de Défense. Zijn honger was nog niet gestild. Tegen de publieke opinie in, kondigt hij op Quartorze Juillet 1988 zijn plannen voor La Grande Bibliothèque aanwaar Frankrijk sindsdien zijn literaire erfgoed bewaart en digitaliseert. Geschatte stichtingskosten: 1,5 miljard Franse francs. Eindbalans: ruim 10 miljard Franse francs. Maar Mitterand maakt zich pas echt onsterfelijk met de erkenning van zijn buitenechtelijke dochter en de nonchalante reactie op kritische vragen van de pers. ‘Et alors?

Dan komt Jacques Chirac. De geslepen, sjoemelende oud-burgemeester van Parijs die het met de aanbestedingen niet zo nauw nam. Hij treedt in 1995 aan als president en trekt twaalf jaar aan de touwtjes. Intussen is hij officieel veroordeeld voor corruptie, maar om gezondheidsredenen hoeft hij niet te brommen. Zijn familiekasteel, Chateau de Bity in de Corrèze, wordt nog steeds dag en nacht op kosten van de republiek bewaakt. Hij laat zijn gezicht er zelden zien, is me toevertrouwd door de dienstdoende wachtsergeant.

Boze tongen zeggen…

Aan Chirac danken we het Musée de Quai Branly, aan de gelijknamige kade in Parijs, dicht bij de Eiffeltoren. Het museum opent in 2006 en is geheel gewijd aan de primitieve kunsten. Ruim voor de opening steekt een storm van verontwaardiging op. De goede Chirac vertelt dat hij zich tijdens een strandvakantie op een of ander exotisch eiland liet inspireren door de plaatselijke inheemse kunst. Boze tongen daarentegen beweren dat Chiracs droom vooral was ingegeven door zijn innige vriendschapsband met ene Jacques Kerchache – verzamelaar van en handelaar in primitieve kunst. En de Chef d’État had zijn reputatie al niet mee. Wat er ook beweerd werd, het museum kwam er.

De Chef/Sjoemelaar had niet alleen oog voor het staatsbelang, maar diende ook het regionale belang. Om zich vanuit Parijs snel per dienstauto naar Chateau de Bity te kunnen verplaatsen, laat hij de A20 aanleggen, een mooi stukje erfgoed waar ook ik van profiteer. In het lieflijke plaatsje Sarran, waar, toeval of niet, zijn bevallige echtgenote Bernadette locoburgemeester is, laat hij van belastingcenten zijn Musée du Président Jacques Chirac bouwen, waar 150 cadeaus staan uitgestald die Mijnheer de President tijdens staatsbezoeken mee naar huis mocht nemen. Met dit edelmoedige gebaar geeft hij ze terug aan ‘zijn volk’, maar we weten niet wat hij achter heeft gehouden. Voor slechts € 4,50 per persoon mogen we de cadeaus bewonderen. Tijdens een bezoek aan dit museum krijg ik antwoord op mijn vraag. Zijn de presidenten van Frankrijk kunstminnaars of narcisten? De naam van het museum doet het ergste al vermoeden. De tentoonstelling in het souterrain doet alle twijfel verdampen. Wie zo met zichzelf uitpakt, in viervoud en op megaformaat, móet wel innig van zichzelf houden.

 

 

 

Frankrijk staat in brand

Déjà vu in Frankrijk

Het hart van de echte nieuwsjager staat, zodra zich een calamiteit voltrekt, in vuur en vlam. Ik had dat van nature niet in me, bleek tijdens mijn tijdelijke bestaan als leerling-journalist bij een regionaal dagblad. Een uitslaande brand in Brive-la-Gaillarde, mijn favoriete stad in het hart van Frankrijk, herinnert me aan een pijnlijk falen als razende reporter en wijze besluit om tekstschrijver te worden.

Brand in Frankrijk

 

Gewoontegetrouw slenteren mijn vrouw en ik naar de zaterdagmarkt in de hallen die zijn vernoemd naar de Franse liedjesdichter Georges Brassens. De stad doet ons om marketingmotieven graag geloven dat de geliefde bard Brive-la-Gaillarde vaak bezocht. Cynische Brivisten verklappen ons dat hij de stad alleen vanuit de trein kende, wat hem niet belette er een chanson over te schrijven.

Uitgerukt met wat?

Kijk, zegt mijn vrouw opgewekt, bij de kerk is weer wat te beleven. In tegenstelling tot het sombere Almelo van Herman Finkers, kennen wij Brive als stad waar altijd wat te doen is. Wij naderen de samenscholing van onze parttime stadsgenoten en ontdekken tot onze schrik wat de aanleiding is. Een historisch pand, grenzend aan de monumentale stadsbibliotheek, rookt als een schoorsteen. Zodra de wind maar even aantrekt, schieten vlammen uit de glasloze, geblakerde ramen. De brandweer, uitgerukt met groot materieel, lijkt de brand gelukkig onder controle te hebben. De vaak door feestgangers gebezigde term ‘het dak gaat eraf’ is hier letterlijk van toepassing.

Brandweer in Frankrijk‘Uitgerukt met groot materieel’ is een typisch journalistieke beschrijving. Een cliché, zeg maar. Terwijl ik naar de inspanningen van de dappere brandweermannen kijk, heb ik een déjà vu. Tijdens een weekenddienst, één van de ongemakken die hoorden bij mijn korte bestaan als leerling-journalist, werd ik opgeroepen om verslag te doen van een serieuze brand ergens in het Westland, het domein van christelijke geheelonthouders. Op het moment van de oproep zat ik in een bruin café, waar het behaaglijk en gezellig was. Ik had nog een glas met bier voor me staan en nog een rondje tegoed. Dat liet ik me niet afnemen. Vervolgens ging ik wat wankel op zoek naar een taxi. Aangekomen op de plaats des onheils was het grootste leed geleden. Gelukkig maar, vond ik. Een plaatselijke correspondent was zo ruimhartig om me bij te praten, maar ik was onvoldoende helder van geest om alles tot in de details te noteren. Met tegenzin liet ik me door een tweede taxi naar het redactielokaal vervoeren, waar het me toch nog aardig lukte een kort en mijns inziens accuraat verslag te schrijven. Uiteraard vermeldde ik daarin dat de brandweer met groot materieel was uitgerukt.

Mijn aspiraties gingen in rook op

Brand in FrankrijkDat werd me noodlottig. Gezien de omvang van de brand, had het dienstdoende korps alle beschikbare antieke bluswagens uit de stalling gehaald en in stelling gebracht, die in de wijde omgeving maar beschikbaar waren. Dit belangwekkende nieuwsfeit was mij geheel ontgaan. De redactiechef wees me er fijntjes op dat zelfs de landelijke pers dáár de nadruk op had gelegd. Kritische ‘insteek’, zoals dat vandaag de dag heet: regionaal brandweerkorps schiet tekort door gebrek aan voldoende modern materieel. Terwijl die jongens zó hun best hadden gedaan. Dat is geen nieuws, dat is sensatielust. Daar was mijn chef het niet mee eens. Het voorval kwam me op een berisping te staan, wat een vervelend obstakel is voor wie een loopbaan in de journalistiek ambieert. Ik begreep dat mijn dagen als persmuskiet geteld waren. Mijn aspiraties gingen in rook op. Het momentum om me te bezinnen op een nieuwe toekomst was daar. Ik was toen 20 jaar.

Enkele jaren en veel ervaring verder kijk ik naar de zwartgeblakerde, rokende puinhoop in het historische hart van Brive-la-Gaillarde. De bibliotheek wordt nat gehouden, zodat ons een boekverbranding bespaard blijft. Maar de aderlating voor het stadscentrum is enorm. Ik kijk naar de brandweerlieden en naar de journalisten. Wat zullen ze schrijven in de ochtendbladen? Wat voor breaking news brengen ze straks op internet en de regionale televisie? Ik trek me terug en prijs me gelukkig als toeschouwer en tekstschrijver in Frankrijk. Op de markt kopen we een vers stukje ganzenlever en neurie ik Les copains d’abord van Georges Brassens.

Franse klassiekers

Een oude Fransman of Amerikaan?

De zondag op het Franse platteland vier je bij voorkeur en famille. Het middagmaal staat centraal. Wat je doet met de tijd die daaraan voorafgaat? Je hoeft je in de Creuse geen moment te vervelen. De gezinsbestemming van afgelopen zondag was: Vieilleville. Hier vond de 14de concentration de vehicles anciens plaats. Nostalgie op wielen.

Een Ameirkaan in Frankrijk

 

Eens per jaar staat er in het anders zo slaperige dorp Mourioux-Vieilleville een opmerkelijke file. Niemand windt zich hierover op. Integendeel, het is feest! Uit de wijde omgeving stromen actieve en passieve liefhebbers van de klassieke automobiel naar de topmanifestatie, georganiseerd door het lokale feestcomité. Het aantal trotse eigenaren dat zijn al of niet opgekalefaterde oldtimer komt showen, groeit gestaag. Meer dan 200 dit jaar! De bezoekerscijfers zijn voortreffelijk. Het is al enkele weken hoogzomer in dit stukje Frankrijk. Dat maakte de 14de editie extra geslaagd.

“Oui, Oui, dat is niet niks!”

Aan de echte autoliefhebbers en verzamelaars had je geen kind. Ik kijk altijd met bewondering toe hoe mannen die de jaren des onderscheids hebben bereikt eindeloos lang onder een geopende motorkap geheimtaal uitwisselen. Soms ga ik er geinteresseerd bij staan in de ijdele hoop dit mysterie te ontvouwen. Wijs en met eerbied mompel ik: ‘Oui, Oui, dat is niet niks.’ Men slaat geen acht op mij. De échte liefhebber ruikt een charlatan op kilometers afstand.

Gelukkig denkt het feestcomité ook aan de leek. Met optochten en een fanfare, met de Franse variant van de Koek & Zopie, met een spannende tombola. En vanzelfsprekend kon er onder de chapiteau groepsgewijs gegeten worden. Van dat riante aanbod hebben wij geen gebruik gemaakt.

Let op mijn woorden: Frankrijk gaat elektrisch fietsen!

Overigens, tijdens dit geslaagde festijn dat volledig in het teken stond van de klassieke automobiel, trok een stand voor elektrische fietsen opvallend veel belangstelling. Er werden fietsen gedemonstreerd van het Franse merk VAE Wayscral. Je koopt al een solide en lekker vormgegeven rijwiel met hulpmotor en lithium batterij voor 700 euro! Fransen op het platteland zijn niet erg ‘fietserig’, maar bij deze prijzen voorspel ik een hausse.

Een geslaagde familiedag, al met al. Volgens de beste tradities. Eenmaal teruggekeerd op ons honk, dronken we eerst een aperitief. Vervolgens heb ik een frisse Caesar salade bereid en daar een fles rosé bij opengetrokken. Ik had in de namiddag nog wat willen werken, maar daar is het niet van gekomen. Er bleef namelijk een penibele vraag door mijn hoofd tollen; een dilemma. Wordt ik de nuffige eigenaar van een klassieke Amerikaan of een Franse klassieker of win ik binnenkort met mijn witte Joop Zoetemelk-benen legendarische klassiekers op mijn vélo à assistance électrique?