Paddenstoelen zoeken

Paddenstoelen zoeken

Paddenstoelen zoeken is een ernstige aangelegenheid in de streek waar ik woon. Zeg maar gerust: een existentiële kwestie waar Jean-Paul Sartre een puntje aan kan zuigen, ware het niet dat hij reeds jaren dood is. Zelf ben ik er niet goed in, in paddenstoelen spotten. Maar onze buurman is de absolute kampioen.

 

Paddenstoelen zoeken

Langs mijn huis kronkelt een weg omhoog, de bergen van Saint-Goussaud in. Aan beide zijden van de weg ligt bos. In de berm staan geregeld verlaten auto’s geparkeerd, want de bossen van Saint-Goussaud zijn gekend om hun vruchtbare bodem voor de paddenstoel. Ze schieten er letterlijk de grond uit, de cantharellen en cèpes. De herfst is het seizoen voor die laatste categorie, in onze mooie Nederlandse taal bekend als eekhoorntjesbrood. Je bereidt er de lekkerste schotels mee. Ik kan vooral een velouté van cèpes aanbevelen, al ben je er de volgende dag wel wat winderig van.

Ik wandel graag door de bossen, maar heb als voormalig stadsmens geen goed ontwikkeld oog voor de paddenstoel. Vaak zie ik in mijn ooghoeken kabouters weg flitsen, maar het zou potsierlijk zijn als ik achter ze aan ging en ze dakloos zou maken. Dat is het me niet waard. Ik leg me neer bij de wetenschap dat paddenstoelen zoeken voor mij niet is weggelegd. Daarin speelt ook een zekere luiheid een rol. Ik weet namelijk dat de cèpes tóch mijn kant wel op komen. Mijn buurman is namelijk een goed geoefende speurneus en een connaisseur. Hij kent alle plekjes.

Bandeloos paddenstoelen zoeken in Frankrijk

In Nederland is het plukken van paddenstoelen gebonden aan regels. Je mag nooit meer meenemen dan wat redelijk is voor eigen gebruik. Een richtlijn die breed te interpreteren is, dunkt me. In Frankrijk bestaat zo’n norm niet. Mijn buurman sleept kilo’s uit de bossen. Hij droogt ze, maakt ze in potten in en trekt ze vacuüm. Het belangrijkste is: hij déélt ze. Met mij en mijn vrouw. Vaak zet hij ’s morgens geruisloos een mandje vol cèpes op de tafel op onze veranda. Het mandje wil hij altijd terug. Best jammer, want hij heeft een weergaloze verzameling kaboutermandjes. Maar in plaats van te jammeren kan ik beter in mijn handen knijpen bij zoveel vrijgevigheid.

Het paddenstoelengebeuren is altijd met een sprookjesachtige geheimzinnigheid omgeven. Niemand geeft zijn ultieme vindplekjes graag prijs. Als ik aan de buurman vraag waar hij zijn paddenstoelen vandaan heeft, wijst hij met een geniepige glimlach rond zijn lippen naar de heuvels en zegt: ‘Dáár ergens.’ Ja, dank je de koekoek, dat begrijpt een kind, maar wáár precies? De buurman grinnikt en zwijgt. Hij weet dat ik hem nooit volgen zal, want als hij op strooptocht gaat, lig ik nog onverstoorbaar op één oor.

Ik draai me nog eens lekker om, laat een gezonde ochtendwind, en neem het leven zoals het is.

Nieuwe hippies in restaurant La Lanterne in Saint-Gaussaud

De nieuwe hippies van Saint-Goussaud

Omhoog, omhoog. Naar de top van de berg. Voor een glas biologische wijn of een ambachtelijk biertje. Voor een sobere, doch smakelijke dis, bereid met ingrediënten uit de streek, voor een robuust bruin brood. Of voor niets anders dan een praatje. Ik breng een ode aan de nieuwe hippies van Saint-Goussaud.

 

Nieuwe hippies in restaurant La Lanterne in Saint-Gaussaud

 

Saint-Goussaud is een dorp op het hoogste punt van een kleine, ongerepte bergketen in het Zuidwesten van de Creuse. De gemeente Saint-Goussaud strekt zich uit over 23,8 km² en herbergt 194 inwoners volgens de laatste telling (2011). Het zijn er inmiddels minder, vermoed ik. Zelf woon ik aan de voet van de keten, in een nog onbeduidender gat. Enfin, op de zevenhonderd meter hoge top ligt het gehucht waar dit verhaal over gaat. Het is een oud woonoord, met sporen uit de Gallo-Romeinse tijd. Een rood-witte toren met straalzender steekt boven het dorp uit. Saint-Goussaud heeft een van de mooiste dodenlantaarns van Frankrijk. Hij stamt uit de 13de eeuw en bezit de status van historisch monument.

Er staat ook een restaurant in Saint-Goussaud. Vloer, muren en dak zijn eigendom van de gemeente die jaren geleden, in een vlaag van optimisme, meende dat de commune een toeristische impuls goed gebruiken kon. Tegelijkertijd stichtte de gemeente met EU-geld twee houten vakantiebungalows. Hun bezettingsgraad is alleszins redelijk voor een streek die de moderne toerist halsstarrig links laat liggen. Met het restaurant daarentegen is het al eeuwen tobben geblazen.

Het tij lijkt gekeerd met de nieuwe hippies van Saint-Goussaud

Het tij lijkt gekeerd. Sinds enige tijd wordt het restaurant weer uitgebaat. Een klein collectief van lokale dromers huurt het pand van de gemeente en zet zich met hart en ziel in voor een nieuwe levensvervulling die nog niet helemaal lijkt te zijn geland. Ze bewegen zich wat onwennig door hun nieuwe habitat, alsof ze nog niet kunnen geloven dat dit hun bestemming is. Dat verleent een bijzondere charme aan de eetgelegenheid die qua sfeer en inrichting doet denken aan een clubhuis. Ik hoop hartstochtelijk dat het ondernemersinitiatief van de nieuwe hippies van Saint-Goussaud een lang leven beschoren is.

Dat is niet vanzelfsprekend. Sinds we voet aan de stenige grond van de Creuse zetten, twee decennia geleden, maakten we een dozijn wisselingen van de wacht mee. Met weemoed denk ik terug aan het moment waarop twee volstrekt verknipte broers besloten het etablissement nieuw leven in te blazen, nadat een ambitieus stel uit ‘de grote stad’ de koksmuts gedesillusioneerd aan de wilgen hing. De oudste broer, Jean-Jacques, bestierde de keuken. Hij kookte goed, maar je moest geduld hebben. Dat is niet handig, want restaurants in de Creuse moeten het vooral hebben van het middagmaal voor ambachtslieden wier lunchtijd gelimiteerd is. De jongste broer, Olivier, deed de bediening en raakte uiterst bedreven in het formuleren van excuses voor de ruime intervallen tussen de diverse gangen. Je wist dat dit niet goed kon gaan. Het was een kwestie van tijd.

Van pijnlijke spagaat tot collectieve depressie

Jean-Jacques diende in een ander leven in het Vreemdelingenlegioen en hield daar een trauma en een ongezonde belangstelling voor macabere oorlogsfoto’s aan over. Hij was een manische alcoholicus. Met een andere drinkebroer, Jean-François, die geregeld klusjes bij ons deed, brachten we soms, als bij de meer courante dorpscafés de laatste ronde definitief en onverbiddelijk was verklaard, een nachtelijk bezoek aan Saint-Goussaud. Bij Jean-Jacques en Olivier kon je altijd aankloppen. We wierpen dan wat geld in de pot, waarop de flessen whisky op tafel kwamen. Menig nacht eindigde in een pijnlijke spagaat ter afsluiting van een wilde dans. Of de fotoverzameling van Jean-Jacques kwam tevoorschijn, wat steevast uitliep op een collectieve depressie.

Na de gebroeders volgde nog een bonte stoet van optimisten met velerlei tot mislukking gedoemde succesformules. Alles werd geprobeerd, het patroon herhaalde zich. De eerste weken kreeg iedere nieuwbakken uitbater het voordeel van de twijfel van de streekbewoners. Vervolgens kakte de business om moverende redenen in. Beroerd eten, onverschillige bediening, aangebrande pizza’s, een klevende vloer, gore toiletten, een grote muil, alle denkbare dieptepunten die je in een eet- en drinkgelegenheid niet wil meemaken, deden zich op het hoogste punt van de bergen van Saint-Goussaud voor. De laatste uitbaters, een stijf en arrogant Brits stel, maakten zelfs de wittebroodsweken niet mee. Hen was het voordeel van de twijfel niet eens gegund. Beteuterd en berooid dropen ze af. Het restaurant stond anderhalf jaar leeg. Daar gaat nooit meer iets gebeuren, was de breed gedeelde opinie.

Het manna van Romain is vooral robuust

Maar we hadden het mis en rekenden buiten de waard. In dit geval niet één waard, maar een klein collectief van goedwillende waarden en waardinnen die de moed opvatten om in Saint-Goussaud een hip streekrestaurant met een kruideniers- en broodhoek te beginnen. Een enkele initiatiefnemer kenden we al, zoals Romain, die zich eerder in een nabijgelegen dorp vestigde als ambachtelijke brood- en koekbakker. Hij gebruikt daar een authentieke, op hout gestookte oven voor en de smaak en textuur van zijn broden zijn werkelijk onovertroffen. Met Saint-Goussaud heeft hij er een prima ‘outlet’ bij, om maar eens modern middenstandsjargon te gebruiken.

‘Ik ga een broodje halen’ krijgt er plotseling en geheel onverwacht een bijzondere dimensie bij. In Saint-Goussaud blijf je snel even hangen voor een glas, temeer daar je het brood aan de bar afrekent. Dat is net zoiets als het spek op de kat binden. Na enkele glazen krijg je onvermijdelijk zin in een plank met kaas en charcuterie van omliggende boerderijen of een dagschotel. Geen probleem, want het brood is de volgende dag nog uitstekend eetbaar. Begrippen als ‘vers’ en ‘knapperig’ zijn niet zo relevant voor dit type brood. Het manna van Romain is vooral robuust.

Saint-Goussaud – levendig middelpunt van ongerepte natuur

La Lanterne, zo heet het restaurant, vernoemd naar het historische monument voor de doden van Saint-Goussaud. De kaart is eenvoudig, het eten wordt bereid uit ecologisch verantwoorde, lokale bouwstoffen en zonder artistieke pretenties opgediend. Wie de vegetarische leer is toegedaan, komt goed aan zijn trekken, maar vlees is niet gedemoniseerd. Stoofschotels van rund, varken of lam zijn met geduld bereid. Je drinkt er een glas biologische wijn voor anderhalve euro en uit de tap vloeien diverse ambachtelijke bieren. Vanaf het terras van La Lanterne heb je een spectaculair uitzicht op het onbedorven natuurgebied waar Saint-Goussaud ineens weer het levendige middelpunt van is. De indeling en inrichting van het terras verdienen nog wat aandacht.

Binnen deden de kersverse uitbaters hun best iets te maken van de ruimte die met zijn witte tegels en systeemplafond de uitstraling van een gevangeniskantine heeft. Allerlei uit ruw krat- of pallethout getimmerde objecten verlenen het vertrek een warme, zij het wat vervreemdende sfeer. De tafels staan atypisch opgesteld, aangekleed met fleurige placemats en echte plantjes. De inrichting is organisch. Iedere keer valt er wel weer wat nieuws te ontdekken. Een aandoenlijk, losjes in elkaar getimmerd boekenrek, een malle lamp van hout en riet, een scheve kapstok. De laatste keer werd ik verrast door een reusachtig paneel met een abstracte voorstelling van papier maché. ‘Ik houd niet van witte muren’, zei de maker, die dus geen fan is van Jean de Bouvrie en tot de vaste leden van het collectief behoort, voor zover zich dat laat vaststellen.

Wat klunzig vaak, maar nooit gehaast

Het is nooit helemaal duidelijk wie er wel en niet bij horen. Alles en iedereen loopt door elkaar heen, er is geen hiërarchie. De vaste kern schatten we op zes personen. Het kunnen er ook acht zijn. Iedereen lijkt van alle markten thuis. Of juist niet. Alleen de positie achter het fornuis heeft een vaste speler, een kleine, graatmagere jonge vrouw, met het gezichtje van een vriendelijke muis. Voor het overige doet iedereen wat er toevallig op dat moment op zijn of haar pad komt. Vaak wat klunzig, maar altijd met een glimlach. En nooit gehaast. Met frequente uitstapjes naar het terras om een al of niet met kruiden gevuld sigaretje te roken.

De nieuwe hippies van Saint-Goussaud zijn herkenbaar aan hun wat slome gang, onbekommerde blik en losse haar- en klederdracht. De gemiddelde leeftijd schommelt tussen eind twintig en eind dertig. De mannen torsen op hun hoofd en aan hun kin weelderige strobossen, soms gevlochten in stoffige dreadlocks. Hun grauwe overalls hijsen ze om de haverklap op; het bovenste gedeelte met de kenmerkende schouderbanden gebruiken ze niet waar het voor ontworpen is, maar laten ze nonchalant en nutteloos over hun knieën hangen. Dat verklaart misschien ook hun trage tred.

Balmain, Cartier en Chanel hebben niets te zoeken bij de nieuwe hippies van Saint-Goussaud

De vrouwen lijken hun haar zelf te knippen. Een revitaliserend sjampootje kan geen kwaad, maar ze talen er niet naar. Ze dragen groezelige hemdjes en broeken of rokken die niet voordelig afkleden. Of het een broek of een rok betreft, laat zich trouwens lang niet altijd met zekerheid vaststellen. De dames hebben lak aan de ideale billenmaten van Kim Kardashian en lijken niet te porren voor een neuscorrectie of integrale bleek- of ontharingsbeurt. Ze zijn eerder naar binnen dan naar buiten gekeerd. Balmain, Cartier en Chanel hebben hier niets te zoeken. Naturel, dát is de trend in Saint-Goussaud.

Hun bewegingen zijn kalm en schuchter, hun ogen staan dromerig. Er is altijd gelegenheid voor een praatje. Hun respons op een compliment is eerder verbaasd dan verheugd. Het verdienmodel draait nauwelijks om omzet, winst en groei. Ik vermoed dat er helemaal geen verdienmodel is. Maar ze zetten ongevraagd een schaaltje pinda’s op tafel, vermengd met rozijnen, als je er een glas wijn of bier drinkt. Kijk, dát is klantenbinding!

De nieuwe hippies van Saint-Goussaud. Ze zijn van meer dan goede wil en nemen hun lot in eigen hand. Ze houden van de Creuse en halen bij thema’s als ontvolking, werkloosheid en vergrijzing de schouders op.  Ze trekken hun eigen plan. Geld, roem, luxe? Ze malen er niet om. Ze gaan voor vriendschap, liefde en soberheid, voor het helen van de planeet, voor aandacht. Is het misplaatst optimisme? Is het naïviteit? Hoe het ook zij, ik heb mijn hart aan ze verpand. Niet op de laatste plaats omdat ik er wandelend heen kan om een glas te drinken. In de geruststellende wetenschap dat het vervolgens snel bergafwaarts gaat.

De vazen van Anduze

De fabuleuze vazen van Anduze

Een oudere dame kijkt geamuseerd toe hoe ik een foto maak van een aardewerken vaas. Of ik ze mooi vind, de vazen van Anduze, vraagt ze, als ik mijn camera laat zakken. Ja, erg mooi, zeg ik. Of ik de fontein al heb gezien, iets verderop, vraagt ze. Nee, die heb ik nog niet gezien. Ze wijst me de weg. Naar rechts bij die grijze auto, de trap af en rechtdoor. ‘U loopt er vanzelf tegenaan.’

 

De vazen van Anduze

 

En inderdaad. Vanaf de trap zie ik het stadspleintje met de bescheiden hommage aan de traditionele vazen van Anduze al liggen. Water spuwende potten tegen het decor van een kleurrijke muurschildering. De fontein werd onlangs gerealiseerd, leer ik van een plaatselijke meneer. Hij vraagt waar ik vandaan kom, want hij hoort een ‘klein accent’. Uit Nederland, zeg ik neutraal.

Een keizerlijke opdracht

Hij steekt een droevig verhaal af over zijn werkzame jaren in Duitse asbestmijnen. Hij hield er kapotte longen en een klein pensioen aan over. Daarmee woont hij nu bij zijn moeder, in de Cévennen. Hij wijst dromerig naar de heuvels en zegt: ‘Schone lucht, maar hoe lang nog?’. Als we afscheid nemen, zegt hij dat de vazen van Anduze schatplichtig zijn aan Napoleon. Die zou precies in zijn kop hebben gehad met wat voor potten hij de tuinen van de Tuilerieën en zijn kasteel van Malmaison wilde opsieren en een keizerlijke opdracht hebben verstrekt aan een pottenbakker in Anduze.

De aimabele heer die bij zijn moeder in de bergen woont, heeft waarschijnlijk geen internet of WiFi. Dat maakt hem benijdenswaardig, want zo blijft de fabel rond Napoleon Bonaparte en de lokale pottenbakker zijn persoonlijke waarheid. Een ander broodje aapverhaal is dat Lodewijk XIV, de Zonnekoning, de vaas liet ontwerpen om er de parken van Versailles mee op te fleuren. Niets van waar, zegt Wikipedia streng.

Vazen van Italiaanse snit

De oorsprong van de vazen ligt in de tweede helft van de 17de eeuw. De vazen van Anduze zijn een samensmelting van pottenbakkersstijlen uit de Provence en toenmalige Languedoc. Het eerste model dateert van 1728 en wordt toegeschreven aan een pottenbakkersfamilie, genaamd Gautier. De vorm, een omgekeerde kerkklok, en karakteristieke decoratie, twee guirlandes, onderbroken door twee medaillons, zijn van Italiaanse snit.

De eerste, kleinschalige productie van de aardenwerken potten was bedoeld voor lokaal gebruik. In het nabijgelegen Nîmes zijn ze gek op de vazen. Nog steeds. Je vindt ze zij aan zij ter afbakening van de grote terrassen bij de roemruchte arena. Na de revolutie, toen de scherpe kantjes eraf waren en de rijken het weer gewoon voor het zeggen hadden, werden de vazen van Anduze ontdekt door de aristocratie en gegoede burgerij.

De vazen van Anduze veroveren Frankrijk

Het atelier van Gautier werd eind 18de eeuw overgenomen door de familie Boisset en die maakte er een landelijke business van. De mode zat mee. Men was in die dagen in de hogere kringen verzot op orangerieën. Daar werden ’s winters de exotische kuipplanten bewaard, citroen- en sinaasappelboompjes, vaak. Die mochten zomers weer naar buiten in hun weelderige, niet goedkope vazen van Anduze, waaraan je kon zien dat men niet van de straat was.

Zowel de oorspronkelijke bak- als de emailleertechniek bleef eeuwenlang ongewijzigd. Gezien het gebruik hoefden de vazen niet vorstbestendig te zijn. En dat zijn ze nog steeds niet, ontdekken we bij Poterie de la Madeleine, iets buiten Anduze. Ik aas op een grootformaat vaas in de koopjeshoek. Er is een scherf af, aan de voet, wat zomaar honderd euro scheelt op de nieuwprijs. Ik blijf een ‘ollander’. Maar ik aarzel, want overal staan bordjes met de waarschuwing dat de potten ’s winters naar binnen moeten. Zonder aarde is de pot al loodzwaar, laat staan mét. Ik zie me daar niet elk najaar en voorjaar mee zeulen, eerlijk gezegd.

Zuid-Franse kak, daar in die Gard

Zal het werkelijk zo’n vaart lopen? Ik leg mijn dilemma voor aan een verkoopadviseuse. Kan ik hem echt niet buiten laten staan? Ter verduidelijking vertel ik erbij dat ik in de Creuse woon. ‘Oh nee, mijnheer, geen sprake van!’, zegt ze oprecht geschrokken. ‘Dat is vragen om ellende’. Zelfs als ik een binnenpot gebruik, legt ze uit, is de kans groot dat het glazuur er bij een paar graden onder nul spontaan van afspringt. En vriest het harder, dan trekken er ongetwijfeld barsten in het aardewerk. Daar kun je op wachten. Zéker in de Creuse. Ze trekt er een gezicht vol afschuw bij, alsof ze zeggen wil: daar moet je helemaal niet willen wonen. Ik vind haar ineens niet aardig meer. Zuid-Franse kak, daar in die Gard.

Ik kies eieren voor mijn geld en stel me tevreden met een klein, hanteerbaar exemplaar. Hij is helemaal gaaf. Ik reken hem netjes af, mijn handgebakken vaas van Anduze, maar de sfeer tussen mij en de verkoopadviseuse is bekoeld. Ze mag blij zijn dát ik betaal. Van Napoleon Bonaparte is een onbetaalde rekening gevonden in de archieven van de familie Boisset. Vandaar dat de naam van de kleine Corsicaanse keizer voorgoed met de fabelachtige vazen van Anduze verbonden is. De vazen zijn keurig in Parijs afgeleverd, maar betalen ho maar. Naar verluidt, is hij uiteindelijk verbannen.

 

 

 

De grotten van Lascaux

Beleven is het nieuwe zien in de grotten van Lascaux

Omdat ik sentimenteel van aard ben, ga ik graag naar hotels waar we al eens eerder sliepen. Zo boekten we laatst, vanwege het heerlijke zwembad in de parkachtige tuin, een kamer bij Le Relais du Soleil d’Or in Montignac. Het was tijdens de eerste hittegolf van dit seizoen, eind juni. In onze eigen tuin heerste een gevoelstemperatuur van 75 graden. Op zulke dagen heb ik spijt van mijn bedachtzame inborst die de aanleg van een zwembad in de weg staat. Op andere dagen, de meeste, voel ik me de koning te rijk, omdat ik me niet hoef te bekommeren om zwembadonderhoud, ph-waardemetingen en chloorbommen. De plaatsnaam Montignac, u weet het vast, is onlosmakelijk verbonden met de grotten van Lascaux. Voor we ons overgaven aan de weldadige verkoeling onzer tijdelijke zwemfaciliteiten, namen we een kijkje bij de grotten.

 

De grotten van Lascaux

 

Die zijn sinds lange tijd aan het oog van de welwillende toeschouwer onttrokken. Er kwam een futuristisch museumcomplex voor in de plaats, op harmonieuze wijze ‘versmolten’ met het landschap. Toegegeven, het is een smaakvol stukje architectuur, al hadden de gevels en de entreezone naar mijn smaak minder uitgesproken wit gemogen. In de felle zomerzon is het een aanslag op je ogen. De Noorse vormgevers kozen voor een ‘zachte, gebroken lijn, als antwoord op de golving van de heuvel waaronder zich de oorspronkelijke grot bevindt’, lees ik later, luierend aan het zwembad, in het kingsize magazine dat ik kocht in de souvenirshop.

Op deze gezegende plek in de vallei van de Vézère daalde een lokale automonteur tachtig jaar geleden af in een grot die bleek opgesierd met de oudste fresco’s die ooit in Europa werden aangetroffen. Wetenschappers dateren ze op achttien- tot zeventienduizend jaar voor het begin van onze jaartelling en schrijven ze dientengevolge toe aan de Homo sapiens diluvialis, onder vrienden bekend als de Cro-magnonmens. Sindsdien staat de Dordogne op de kaart als de Europese bakermat van de moderne sterveling.

Vier vrienden en een hond

Naar verluidt maakte Marcel Ravidat, zo heette de automonteur van de plaatselijke garage van Montignac, op 8 september 1940 met drie vrienden en zijn hond Robot een wandeling langs de linkeroever van de Vézère. Ook in de prehistorie stroomde die al vredig. Zij voorzag de jagende en vissende Cro-magnonmens in die tijd op maat van verse forelletjes. Je moet vandaag de dag engelengeduld hebben om er ook maar één te verschalken. De hond ging een konijn achterna en leidde het gezelschap al doende naar een diep gat bij een ontwortelde dennenboom. Iedereen weet: een gat trekt. Gelukkig maar, want anders waren de grotten van Lascaux nooit ontdekt.

Marcel, de automonteur, achttien jaar, toen, overleden in 1995, probeerde het konijn met stenen uit het hol te jagen. Broer konijn hield zich stil, maar een mysterieuze echo bracht de mecanicien op het idee dat hier wel eens sprake kon zijn van ondergrondse gewelven. Vier dagen later keerde hij op de locatie terug, met andere kompanen, en uitgerust met olielampen, messen, touwen en houwelen. Marcel daalde als eerste af en had de primeur.

De jongemannen uit Montignac hadden nauwelijks in de gaten dat ze iets bijzonders op het spoor waren. Terug in Montignac deed een van de makkers zijn verhaal aan zijn ouders, achteloos. Die maakten op hun beurt een gepensioneerde onderwijzer deelgenoot van het avontuur. Deze dacht dat het een grap was, die hij tijdens het borrelen deelde met ‘tout Cahors’. Zo belandde het verhaal bij ene pastoor Henri Breuil, die wel de ‘priester van de prehistorie’ werd genoemd en, toeval of niet, op dat moment in een hotel in Montignac logeerde. Hij was de eerste gekwalificeerde prehistoricus die in de grot afdaalde en bracht de bal aan het rollen. Er bestaan andere versies over de ontdekking van de grotten van Lascaux, maar dit verhaal spreekt me het meest aan.

En masse naar de grotten van Lascaux

De identiteit van de vroegste caveman beperkte zich niet langer tot het idee van een wildeman die er willekeurig op los sloeg met zijn knots en om het even welke vrouwspersoon aan haar haren zijn grot in sleurde teneinde voor nageslacht te zorgen, waarvoor wij hem onze eeuwige dank verschuldigd zijn. Tussen de bedrijvigheid door gaf hij wel degelijk ook duiding aan zijn bestaan door zich op een artistieke wijze te uiten en zijn onderkomen te decoreren met beeltenissen van dieren uit zijn natuurlijke habitat. Het nieuws over deze revolutionaire ontdekking ging als een lopend vuurtje. Van heinde en verre stroomde de nieuwsgierige moderne mens toe. Tussen 1948 en 1963 brachten meer dan een miljoen belangstellenden een bezoek aan de grotten van Lascaux.

Op de gevolgen kon je wachten. Bacteriën, algen en schimmels die tot dan toe een sluimerbestaan hadden geleid op de vochtige rotsbodem en –wanden, kwamen plots, na zeventien- tot achttienduizend jaar, een futiele marge is hier onvermijdelijk, tot leven. Ze vraten de wandschilderingen aan, die in luttele tijd in kwaliteit achteruit kelderden. Niets is eeuwig. ‘Alles wat ten prooi valt aan de aandacht van de moderne mens, is gedoemd kapot te gaan’, dacht ik later, terwijl ik mijn baantjes trok in het zwembad van Le Relais du Soleil d’Or en tot een zekere melancholie verviel. Het werd tijd voor een glas wijn.

Net zoiets als je laten betoveren door een Rembrandt-reproductie

Om erger te voorkomen, gingen de originele grotten in 1963 dicht voor het grote publiek. Saillant detail: dit gebeurde per decreet van minister van cultuur André Malraux, schrijver van Het menselijk tekort. Er kwam een replica voor in de plaats (Lascaux II). Deze kon vanaf 1984 worden bezocht. Voor mij persoonlijk is dat net zoiets als dat je gaat staan staren naar een reproductie van Rembrandt, wat niet wegneemt dat de toeristen als vliegen op de stroop op de nepfresco’s afkwamen: 270 duizend bezoekers per jaar. Kassa, zou je denken. Tel je zegeningen als departement. Maar nee, het was niet genoeg. De notabelen en marketeers van de Dordogne roken meer kansen en raakten door de tijdgeest besmet. Voor de moderne toerist geldt: beleven is het nieuwe zien.

De beleving van de replica’s van de wandschilderingen werd verrijkt met een knap geïmiteerde imitatie van een deel van de oorspronkelijke grot, Lascaux III. Dit ‘reizende museum’, in delen opgebouwd en aanvankelijk tentoongesteld in het ‘prehistorische’ dierenpark van het nabijgelegen Thonac, Parc du Thot, werd het vlaggenschip van het nieuwe toeristische concept waarmee de Dordogne zich wereldwijd presenteerde als de Vallei van de mensheid. De belangstelling in Frankrijk zelf viel wat tegen, maar in China, Tokyo en Shanghai kwam men het vermeende ontstaan van de menselijke soort graag bewonderen.

De nieuwe grotten van Lascaux, beter dan het origineel…

Ook dit was niet genoeg. Verwende veelvraten als we in het westen zijn, willen we niet alleen zien wat de jagers/verzamelaars als kunstenaars in hun mars hadden, we willen de magie van de prehistorie voelen en ondergaan. Op een spannende, actieve, authentieke en educatieve manier. We willen er geweest zijn, als het ware, we willen op reis in een tijdmachine, zelf aan de knoppen zitten en onze eigen virtuele oertijd scheppen. Toeschouwer en kunstenaar inéén, dát willen we zijn. Althans, dat menen de notabelen en de marketeers. En we worden op onze wenken bediend. Met Lascaux IV, het internationale centrum van de prehistorische wandschilderkunst, geopend in 2016. Het zijn de nieuwe grotten van Lascaux, beter dan het origineel. Het kostte wat (€ 57 miljoen), maar dan heb je ook wat.

De ontvangsthal benadrukt de nietigheid van de mens. Alsof je een kathedraal betreedt. Er zijn educatieve, interactieve tentoonstellingszalen waarin we ons in de prehistorie kunnen inleven, er is een hightech 3D-bioscoopzaal die ons meeneemt op reis door de wereld van de Cro-magnonmens, de vroegste bewoner van de vallei. Maar dat is allemaal kinderspel in het licht van het hoogtepunt. Of dieptepunt. Met een lift daalt de hongerige toerist af in de grotten van Lascaux. Of liever gezegd: in een waarheidsgetrouwe replica van de originele grotten van Lascaux, met alle fresco’s zoals ze ruim tachtig jaar geleden door Marcel Ravidat, de automonteur uit Montignac, werden aangetroffen.  Zelfs de temperatuur is er nagebootst: 13 tot 16 graden. De werkelijkheid heeft plaatsgemaakt voor de illusie.

 

De grotten van Lascaux

Van Homo sapiens naar Motorhome sapiens

We staan erbij en kijken ernaar. Op een verzengend hete dag, tijdens de eerste hittegolf van 2019. Voor het museum ligt een uitgestrekt parkeerterrein, groter dan een voetbalveld. Voor campers is een eigen asfaltreservaat aangelegd. Ze staan er kop aan kont. Ik zie Franse, Belgische, Duitse en Nederlandse kentekens. Gek eigenlijk, bedenk ik, terwijl ik de drukte gadesla, voor mij laat de ziel van de Motorhome sapiens zich moeilijker doorgronden dan die van de Homo sapiens diluvialis, de Cro-magnonmens, voor vrienden. Je bent het stadium van de grot na eeuwen ontgroeid en van jager/verzamelaar geëvolueerd tot gepensioneerd burger, en je kiest vrijwillig voor een nomadenbestaan in een schimmelige doos op wielen, waarmee je van het ene naar het andere troosteloze parkeerterrein toert, terwijl je oudste voorvaderen juist zo in hun sas waren met een vaste woon- en verblijfplaats.

Ik zal het nooit begrijpen. Dat hoeft ook niet, want iets verderop, in Montignac, wacht me een luxueuze hotelkamer met airconditioning. Nog even en we beleven de weelde van een heerlijke duik in het zwembad van ons hotel. Voor het zover is, waag ik me door de drukte over de oogverblindend witte, megalomane toegangsallee naar het museum. Voor een vluchtig bezoek aan de souvenirshop. Voor een paar euro koop ik het kingsize magazine. Dan maak ik me weer snel uit de voeten. Ik léés wel wat er allemaal te zien en te beleven valt. Aan de rand van het zwembad, in een ligstoel, met een glas witte wijn binnen handbereik.

 

Voorgevel Grand Hotel Evaux

Grand Hotel Evaux

Onze kennismaking met de Creuse begon een kwart eeuw geleden in Evaux les Bains, in het oosten van het departement, grenzend aan de Auvergne. Een plaatselijke notaris zou ons meenemen op een reis langs diverse droomobjecten. De goede man hield kantoor in een wat groot uitgevallen schaftkeet op een schraal terrein, niet ver van de warme baden waar Evaux haar reputatie aan dankt.

 

Grand Hotel Evaux

 

De notaris was kleiner dan Sarkozy en had voor deze zonovergoten dag gekozen voor een iets te strak, beige zomerkostuum en een roze overhemd. Hij maakte een gehaaste indruk. Hij reed, zo bleek toen hij ons uitnodigde hem te volgen, in een open sportauto die er snel en duur uitzag. We hadden de grootst mogelijke moeite hem bij te benen in onze Renault 4, op de smalle wegen in het wat vlakke, boerse landschap rond Evaux. We crosten van krot naar krot. Bij elke stop wiste Sarkozy het zweet zijns aanschijns manmoedig van zijn rood aangelopen voorhoofd en rammelde hij verwachtingsvol met zijn enorme sleutelbos. Aan het slot van de dag stond er haat in zijn ogen. Zijn beige pak kon naar de stomerij.

Evaux les Bains doet zijn stinkende best om de tand des tijds te weerstaan. Tweeduizend jaar geschiedenis rust als een eikenhouten crucifix op haar schouders. De historische kern is aardig opgeknapt, maar dat kan niet verhinderen dat de leegstand voortwoekert. Wie heeft nog zin om hier een nerinkje te drijven? Als wij sinds lange tijd door de autoluwe winkelstraten slenteren, zijn ze leeg en verlaten. En dat op een zaterdagmiddag, van oudsher het ultieme moment van de week om schoenen en jurkjes te passen en je door de wijnkoopman een paar mooie flessen aan te laten praten. Die tijd is voorbij. Schoenen en jurkjes kopen we op internet. Wat niet past of bevalt, gaat gratis terug, desnoods nadat we de spullen eerst een week hebben afgedragen en bezoedeld. Onze flessen kopen we in de supermarché, tegelijk met de andere dagelijkse boodschappen.

Het optimisme van Evaux les Bains

We drinken iets op de besloten achterplaats van Café du Commerce aan de Grande Rue, nummer 21. Op Trip Advisor staan zes recensies. Drie klanten gaven de hoogste score aan het zwaar verouderde, afgeleefde etablissement. Excellent. De uitbater is een geboren optimist. In de zomermaanden organiseert hij op de vrijdagavonden karaokesessies en elke zondagmiddag een BBQ, omlijst met Franse chansons, ten gehore gebracht door een plaatselijke diva. Of het loopt? “We klagen niet, mijnheer.” Als we de initiatiefrijke kroegbaas vragen waarom zijn hand in het verband zit, vertelt hij dat hij gebeten is door zijn eigen hond. Hij ging per ongeluk op een kluif zitten die het beest op de canapé had laten slingeren. Dan vraag je erom.

In tegenstelling tot de Auvergne, die rijkelijk bezaaid is met kuuroorden, komen we er in onze regio bekaaid vanaf. Evaux les Bains is het enige kuuroord in de Limousin, zoals  de regio waarvan de Creuse onderdeel uitmaakt tot 2014 heette. Sindsdien horen we bij Nouvelle Aquitaine, net als Bordeaux. Van enige vergelijkbare grandeur ontbreekt ieder spoor. Kuren in Evaux les Bains is een serieuze aangelegenheid. Wie lijdt aan reumatiek, spataderen of specifieke gynaecologische kwalen, kan zich hier op kosten van de publieke zorgverzekering en onder toeziend oog van een medische staf onderdompelen in het heilzame water uit de omliggende heuvels. Je komt weer als herboren bovendrijven. Het moet welhaast een verkwikkende ervaring zijn als we afgaan op het energieke gekwek van enkele oudere dames die dankbaar gebruikmaken van het genereuze Franse zorgstelsel. Door een armzalige schutting van vale plastic grasmatten zien we ze samenklitten in een hoek van een stomende betonnen bak, het buitenbad. Ze kletsen er lustig op los. Waarover, denk je dan. Over hun meest intieme ongemakken?

Moderne faciliteiten achter een nostalgische façade

Op internet staat te lezen dat de baden van Evaux in 2001 na een ingrijpende renovatie opnieuw in gebruik zijn genomen en dat het complex tot de modernste voorzieningen van Frankrijk behoort. De buitenkant verraadt daar niets van. De ontvangstzijde gaat nog, mede dankzij de nostalgische façade van het Grand Hotel en de parkachtige setting. Loop je verder, langs de linker vleugel van het complex, waar zich het buitenbad met de babbelzieke tantes bevindt, dan zinkt de moed je in de schoenen. Roestvrijstalen leidingbuizen voeren het heilzame water langs een weelderige bergflank een troosteloos machinegebouwtje in. De deur staat open. Ik negeer het rood-witte lint en neem een kijkje. Wat ik zie, lijkt op de machinekamer van een negentiende-eeuws stoomschip. De temperatuur die er heerst trouwens ook. Het is een sauna, binnen. Het is haast onvoorstelbaar dat deze verzameling schroot een der modernste kuurvoorzieningen van Frankrijk draaiende houdt, maar begrijp me goed, de staat van onderhoud waarin een machinekamer verkeert, zegt niets over het schip en haar bemanning. Wat niet wegneemt dat ik voor de kletskousen in de hoek van het zwembad weinig heil verwacht van het mineraalrijke bronwater. Er zijn nu eenmaal kwalen waaraan je niet meer moet willen dokteren als de houdbaarheidsdatum verstreken is.

 

Voorgevel Grand Hotel Evaux

 

Dat de Creuse haar kuuroord behield, is niet vanzelfsprekend. Lange tijd leed het erfgoed waarvan de bron teruggaat tot de Gallo-Romeinse tijd, een kwijnend bestaan. In 2000 ans de Thermalisme avec Evaux et son Histoire, een slordig gestencilde doctoraalscriptie van ene D. Chatenet-Civade, waar ik ooit de hand op wist te leggen, staat het allemaal nauwgezet beschreven. Mevrouw Chatenet studeerde voor pillendraaier, wat in de Creuse niet alleen een eerzaam maar vooral ook winstgevend beroep is. Hoe onaanzienlijk en dun bevolkt de dorpen er ook zijn, ze beschikken stelselmatig over een apotheek. De godganse dag gaan klanten in een niet aflatende stroom in en uit. Ze hinken met lege handen naar binnen en huppelen naar buiten met een papieren zak die tot de rand gevuld is met medicamenten. Het zijn de apothekers die het recept in handen hebben voor de haast onmogelijk hoge leeftijd die voor de ingezetenen van de Creuse is weggelegd.

Romeinen in Evaux les Bains

Het dal van Evaux les Bains werd al ruim voor onze jaartelling bewoond. Er zijn sporen van de Keltische cultuur aangetroffen en het is alleszins denkbaar dat druïden het warme water uit de hooggelegen rotsformatie gebruikten voor hun toverdrankjes. In de eerste helft van de negentiende eeuw, toen het water van Evaux werd herontdekt voor commercieel gewin, stuitte men bij nivelleringswerkzaamheden voor de aanleg van gezondheidsbaden op indrukwekkende muren en fundamenten van wat een zeer luxueus en ingenieus Gallisch-Romeins badcomplex moet zijn geweest. Er werd veel marmer aangetroffen en er kwamen fraaie, met mozaïek ingelegde bogen tevoorschijn. Rond een centrale binnenplaats lagen ooit vijf zwembaden gegroepeerd, vier rechthoekige en één ronde, en diverse zitbaden, alles gevoed door een veertigtal bronnen.

De thermale baden waren cruciaal voor de dagelijkse hygiëne van de Romeinse burgerbevolking. Wat kon men zich beter wensen dan het gratis water uit de rotsen van Evaux dat een constante temperatuur heeft van 32 graden Celsius? Aangetroffen munten met de beeltenis van Agrippa Postumus, heerser over het Gallische keizerrijk van 260 tot 269, wijzen erop dat de badvoorzieningen tot de derde eeuw dienst deden. Een zware brand maakte een abrupt einde aan het luxe Romeinse leventje. Het is niet onwaarschijnlijk dat er opzet in het spel was. Het waren roerige tijden. De Franken en Barbaren die het Romeinse keizerrijk als horzels lastigvielen, vonden al dat gebadder maar decadent gedoe. Echt iets voor mietjes. Vergeet niet, het was een heel andere tijd. Ook werd er nog nergens gevoetbald. De Franse aannemers die grondwerkzaamheden verrichtten voor de nieuwe kuurbaden toonden weinig respect voor het erfgoed. Het leeuwendeel van de Romeinse ruïnes verviel aan de sloophamers en werd geofferd aan de moderne tijd.

Na de Romeinen keek lange tijd nauwelijks iemand om naar de warmwaterbronnen van Evaux. In de middeleeuwen was er enige belangstelling vanuit nabijgelegen kloosters voor de bronnen van Julius Ceasar en een handvol particulieren was zo snugger om het warme water te benutten voor een eenvoudige doch duurzame badvoorziening aan huis. Echte investeringen blijven uit tot de jaren dertig van de negentiende eeuw, als een kongsi van plaatselijke notabelen, grondeigenaren en ondernemers de handen ineen slaat en een maatschappij opricht ter exploitatie van het bronwater van Evaux. Door politieke onrust sterft de onderneming een vroege dood.

Liefde en toerisme in de Creuse

Maar dan breekt de moderne tijd écht aan. De spoorwegen sluiten Evaux les Bains in 1885 aan op de logistieke levensader van de nieuwe epoque. Dankzij de treinverbinding, en dankzij de snelle doorbraak van het kuurwezen bij de gegoede burgerij, stoomt Evaux les Bains op in de vaart der volkeren. Evaux krijgt zijn eigen ‘Kurhaus’, zijn Grand Hôtel Thermal. Er komt zelfs een klein casino. Het water uit de nabij gelegen rotsen wordt uit en te na getest en goed bevonden en artsen van naam en faam verbinden zich aan het kuuroord waar reumatiek, spataderen en gynaecologische kwalen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Een toeristische trekpleister heeft Evaux les Bains nooit willen worden.

Onze avontuurlijke reis langs plaatselijke droomobjecten, waarbij mijn stuurmanskunst en het motorvermogen van onze oude Renault 4 danig door meester Sarkozy op de proef werden gesteld, leverde niet op wat we zochten. Het kon ons niet deren, want we vonden iets waar we niet naar op zoek waren maar wat veel kostbaarder is: een klein stukje verloren tijd. In Grand Hôtel Thermal, waar we die nacht sliepen. De houten vloeren van de immense eetzaal kraakten, de kroonluchters haperden, in de hoeken van de hoge plafonds hoopte spinrag zich op, de dekschalen waren dof en de pakken van de obers vaal, maar er heerste een aangename, oud adellijke, verstilde atmosfeer. Ik voelde me direct thuis in deze entourage en nam me voor om hier ooit, als de omstandigheden het toelieten, voor langere tijd mijn intrek te nemen en er een verpletterende roman te schrijven over liefde en toerisme in de Creuse. Een titel had ik al: Grand Hotel Evaux.

De jaren vlogen om en de omstandigheden duldden geen gekkigheid. Bovendien stond de erbarmelijke kwaliteit van het tweepersoonsledikant de realisatie van mijn ambities in de weg. Maar mijn optimisme is even onverwoestbaar als dat van Evaux les Bains. Er bestaan vergevorderde plannen om het hotel nieuw leven in te blazen, met een facelift die een injectie vergt ter waarde van een slordige 5,5 miljoen euro. Ik krijg mijn herkansing! Het vervelende is dat de tijd me als zo vaak heeft ingehaald. Er bestaat al een geniale roman over liefde en toerisme. Met een bijna gelijkluidende titel.

 

Kuren in Frankrijk?

Lees ook Winterstad voor Franse teringleiders

Herfst in Uzerche

In verleiding gebracht door uitzinnig herfstweer en een welluidende naam uit de Franse literatuur, maakten we onlangs een wandeling langs de oevers van de Vézère. Daar waar de rivier een mooie krul om Uzerche maakt, een stadje met opmerkelijk veel torens, gefundeerd op een stoere rots. Ook wel bekend als ‘de parel van de Limousin’.

Door de hoge, in hun herfsttooi gehulde bomen heen hielden we lange tijd zicht op de boven de rivier verheven vesting. Deze speelde al een strategische rol toen de Romeinen bakkeleiden met de Galliërs. De huidige kern van Uzerche vindt zijn oorsprong in de vroege middeleeuwen. Naar verluidt werd de stad zeven jaar bezet door de beduchte Saracenen, een verzamelnaam voor moslims uit verschillende windrichtingen, die allemaal op één hoop werden gegooid. Terwijl het rijk van Karel de Grote verbrokkelde, rond 800, hielden de Saracenen stevig huis in Zuid-Europa. Vergeleken met de volksverplaatsingen van toen, zou het huidige migratievraagstuk een peulenschil moeten zijn.

Van de middeleeuwen naar vrouwenrechten – alles kan in Uzerche

Maar we liepen daar niet ter ere van Karel de Grote en de Saracenen, hoewel die ook bijzondere literatuur opleverden, zoals het Chanson de Roland, dat in het Middelnederlands werd bewerkt tot het Roelantslied. De oorspronkelijke Franse versie bezingt in pakweg vierduizend epische verzen de heldendaden van ridder Roland die ergens in een pas in de Pyreneeën door verraad het leven laat. De Saracenen, de moslims, dus, krijgen in de heldenroman de schuld. Waarschijnlijk waren de Basken de werkelijke boosdoeners.

Toegegeven, het is een gigantische stap: van de middeleeuwse literatuur naar Simone de Beauvoir. Naar haar is de route bij Uzerche vernoemd. De Beauvoir leefde van 1908 tot 1986. Tot de dood hen scheidde, was ze de grote liefde van Jean Paul Sartre, met wie ze uit principe weigerde te trouwen. Ze was een voorvechtster van vrouwenrechten. “Je wordt niet als vrouw geboren”, was haar stelling, “maar tot vrouw gemaakt, door de mannen.”

Mandarijnen voor de gewone man

Simone de Beauvoir heeft een indrukwekkende reeks boeken op haar naam staan, waaronder Les Mandarins, dat in 1954 bekroond werd met de belangrijkste letterkundige prijs van Frankrijk, de Prix Concourt. Hoofdthema van de vuistdikke roman, vernoemd naar de bestuursambtenaren van het bureaucratische Chinese keizerrijk, is de afstand tussen de linkse intellectuele elite, waarvan De Beauvoir en Sartre boegbeelden waren, en de ‘gewone man’, voor wie zij met hun politieke pamfletten in de bres sprongen.

We plukten de wandeling rond Uzerche van internet, en hadden, wandelend langs de kalm kabbelende oever van de Vézère, onder een korenbloemblauwe herfsthemel, eerlijk gezegd geen idee waarom het parcours ooit naar Simone de Beauvoir is vernoemd. Het vijf kilometer lange circuit begint bij het oude treinstation van Uzerche, waar we vooraf picknickten. Nergens was een informatiebord te vinden waarop te lezen viel waar we op moesten letten om iets vaardig te worden van de verlichte geest van een van Frankrijks grootste schrijfsters en denksters. Stom. Ik had mijn huiswerk moeten doen alvorens ons naar Uzerche te begeven.

Gedreven door nieuwsgierigheid en hongerend naar cultuur, klommen we na de wandeling naar de stadskern van Uzerche, op het hoogste punt van de rots die door de Vézère wordt omarmd. Het toeristenbureau aan de Place de la Libération, een naam die De Beauvoir zeker had bekoord, was gelukkig open. Ik informeerde naar de wandeling en een vriendelijke jongedame maakte me blij met een gidsje. Tijdens een kop koffie op het terras van het café aan de overkant, waar we met een stralende glimlach werden bediend door een meisje met exotische gelaatstrekken, Marokkaans of Algerijns, schatte ik, las ik hoe de vork in de steel zit.

Uzerche, Limousin: gelukzalige momenten voor een oppassend meisje

Simone de Beauvoir, geboren en getogen in Parijs, bracht als meisje meerdere zomers door in de Limousin. Haar grootvader bezat een huis in de buurt van Uzerche, in Meyrignac, om precies te zijn. Hij erfde het familiehuis van zijn vader. In 1957, zo las ik in het wandelgidsje, schrijft ze in haar Memoires van een oppassend meisje : “Mijn eerste momenten van gelukzaligheid vond ik niet in boeken, noch in mijn strijd tegen de autoriteiten… ik vond ze in het ontwaken van de velden om me heen… het weerzien met de roestrode beuken, de blauwe ceders, de zilveren schittering van de populieren, een glinstering die telkens weer zo fris leek alsof het de eerste ochtend in het paradijs betrof.”

Enige tijd geleden haalde ik in de Pyreneeën bij een Nederlandse dame op leeftijd een indrukwekkend aantal dozen met boeken op. Ze wilde er niets voor hebben. Om ons niet al te bezwaard te voelen, lieten we een mooie fles wijn en een vers gebakken appeltaart achter. In een der dozen trof ik De Mandarijnen van Simone de Beauvoir aan, in een Nederlandstalige versie van woordkunstenaar en Brel-vertaler Ernst van Altena. Het kreeg een mooie plek in de boekenkast. Sindsdien, beken ik schaamtevol, keek ik er niet meer naar om. Meer dan zevenhonderd pagina’s vol priegelletters, dat boezemt niet alleen ontzag maar ook watervrees in.

Maar nu, na onze verkwikkende herfstwandeling sur les pas de Simone de Beauvoir, langs de oevers van de Vézère die zich als een slang om Uzerche kronkelt, weet ik wat me de komende winter te doen staat. Van iemand die zich in dergelijke bewoordingen uitlaat over mijn geliefde Limousin, de mooiste regio van Frankrijk, waar ik met zoveel genoegen woon, wil ik alles lezen.

 

 

Het geheugen van Arrènes

Het geheugen van Arrènes

‘Om de moed erin te houden en ziektes te voorkomen, moet je schoon op jezelf zijn. Met een schoon geboende huid heb je minder te lijden van hitte of kou en zijn je verwondingen minder erg.’ Een voortreffelijk advies. Meegegeven aan die duizenden jonge mannen die tussen 1914 en 1918  hun reis naar het einde van de nacht ondernemen. Ondanks de tip keren velen niet of zwaar gehavend terug. Je kon jezelf schoon schrobben wat je wilde, voor zover dat al mogelijk was, tegen het vijandige vuur op de slagvelden en de misère in de loopgraven was geen kruid gewassen.

 

Het geheugen van Arrènes

 

De Grote Oorlog werd door meer dan anderhalf miljoen Franse soldaten met de dood bekocht. Meer dan vier miljoen soldaten raakten gewond. Dat is, bij elkaar opgeteld, ruim tien procent van de totale Franse bevolking die toen een kleine veertig miljoen zielen telde. Eerlijk gezegd, gaat het mijn verstand te boven.

‘De Grote Oorlog laat zich alleen begrijpen door verbeelding’

Overal in Frankrijk, en elders in Europa, worden de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog herdacht en de doden geëerd. De ‘elfde van de elfde’ kent dit jaar een andere dimensie dan we in Nederland, onder de rivieren, gewend zijn. Op elf november 1918, precies om elf uur ‘s morgens, werd de wapenstilstand beklonken. Na een slachting die zijn weerga niet kent. ‘Geofferd op het altaar van doorgedraaide politici en generaals’, zoals columnist Bert Wagendorp in de Volkskrant schreef. De kop boven zijn column luidt: ‘De Grote Oorlog laat zich alleen begrijpen door de verbeelding.’

 

Het geheugen van Arrènes

Kunnen we de gruwelen ooit bevatten? Van deze en andere oorlogen? Nauwelijks, denk ik. We kunnen er hooguit eerbiedig en huiverend bij stilstaan. Dat gebeurt nu overal, in alle uithoeken van Frankrijk, dus ook in Arrènes, de bescheiden commune waar mijn dorp toe behoort. Als alle Franse communes, verloor ook Arrènes zonen aan la Grande Guerre. Hun namen staan op het oorlogsmonument in steen gebeiteld. Morgen brengen we ze om elf uur precies een salut.

‘Met een schoon geschrobde huid heb je minder te lijden van de hitte of kou en zijn je verwondingen minder erg.’ Met de wetenschap van vandaag de dag klinkt dit volkomen potsierlijk. Goede raad is niet duur, moet men op hoog niveau gedacht hebben, voor de jongens naar het front werden gestuurd, waar ze hun reis meestal met de dood betaalden. De aanbeveling staat in een carnet du soldat, bedoeld voor jongens die naar de hel van de Marne werden gedirigeerd. Ik had het boekje in handen en bladerde er stilletjes doorheen.

Het geheugen van Arrènes

Ik beeldde me een jongeman uit de Creuse in, vers van de boerderij. Hij is zo trots als een aap dat hij zijn vaderland mag dienen, maar ook doodsbang voor wat komen gaat. Hij vecht voor zijn leven tijdens de verschrikkelijke slag bij de Marne. De vijand trekt zich terug, het pleit lijkt gewonnen. Hij staart om zich heen, over de uitgestrekte, vijandige, kale vlakte. Hij denkt aan de vreedzame heuvels van de Creuse, aan thuis, en even verschijnt er een glimlach rond zijn lippen.

De kerst komt eraan. Wat hij niet weet, is dat hij die kerst zal ‘vieren’ in de loopgraven. Het vuil en vocht trekken zijn botten in, de luis nestelt zich in de panden van zijn loodzware jas, zijn voeten bevriezen. Maar gelukkig heeft hij zijn carnet – zijn handboekje voor de soldaat. Hij leest: ‘Om de moed erin te houden en ziektes te voorkomen, moet je schoon op jezelf zijn.’ Het is een wonder dat hij er zijn gat niet mee heeft afgeveegd.

Het geheugen van Arrènes

Dankzij dat kleine wonder uit de Grote Oorlog, kan ik nu door het handboekje heen bladeren. Het is een van de vele memorabilia die de bewoners van Arrènes (244 zielen, volgens de laatste officiële telling) bijeenbrachten voor een kleine herdenkingstentoonstelling in de rechtervleugel van de Mairie, ooit de jongens- of meisjesschool. Het idee ontstond spontaan, tijdens een achteloos gesprek tussen de locoburgemeester en een van de bewoners. Burgers en bestuurders sloegen de handen ineen. Zolders werden overhoop gehaald, verborgen lades omgekeerd, stoffige koffers ontsloten. Er kwam een ongelooflijke hoeveelheid relikwieën tevoorschijn, die in goed vertrouwen werden uitgeleend aan de tijdelijke, vrijwillige conservator, de locoburgemeester. Hij richtte er een ontroerende expositie mee in.

Dagboeken, brieven, in priegelschrift volgeschreven ansichtkaarten om het thuisfront gerust te stellen of te vragen blikjes eten op te sturen; foto’s, een authentieke militaire overjas, ze vormen het geheugen van Arrènes. Niemand is nog in leven om het na te vertellen, maar deze kleine souvenirs bieden houvast om ons althans nog iets voor te stellen bij de ontreddering waar precies honderd jaar geleden een einde aan kwam.

het geheugen van Arrènes

De elfde van de elfde, om elf uur ’s morgens. Daar wordt in alle uithoeken van Frankrijk bij stilgestaan. Bij voorkeur niet met defilés, vuurwerk, of grote woorden. Het zijn de kleine, persoonlijke bewijsstukken die de gruwelen van weleer enigszins invoelbaar maken. In de context, helaas, van de dreigende sfeer die onze wereld honderd jaar na dato in de houdgreep heeft. De Grote Oorlog is alleen te begrijpen door de verbeelding, kopte Bert Wagendorp in de Volkskrant. Helaas is verbeelding een talent dat we bij de huidige wereldleiders node missen. Dat baart me zorgen. Maar er is troost: schoon geschrobd en fris geschoren kunnen we de ellende beter aan.

Het geheugen van Arrènes

‘Schoon en fris geschoren kunnen we de ellende beter aan.’

 

Een koopman in kennis

Wij komen graag in Villefranche-la-Rouergue. Om twee redenen. Allereerst is daar de weekmarkt. Elke donderdag, in alle vroegte, strijken kooplieden uit de wijde omgeving als duiven neer in het historische stadje in de Aveyron. Goedgemutst bouwen ze hun kramen op en stallen ze hun waren uit – etenswaren, wijnen uit de streek, bloemen, planten en kweekgoed, kleding en huistextiel. Ze weten dat er straks aan klanten geen gebrek is. De markt van Villefranche is populair.

De tweede reden waarom we Villefranche graag bezoeken, heet: Côté Saveurs. Dit is een fantastisch restaurant op een wat merkwaardige locatie, iets buiten de oude stad, aan een mistroostig plein, Place Louis Fontang, op de eerste verdieping van wat ooit de brandweerkazerne was. Wij kwamen het restaurant bij toeval op het spoor.

Villefranche – heerlijke markt en geraffineerde keuken

Tijdens een van onze eerste marktbezoeken dronken we een kop koffie op het altijd drukke terras van café Les Colonnes op de hoek van Rue Durand de Montlauzeur, in het epische centrum van het marktgedruis. We raakten er aan de praat met een goed gesoigneerde heer op leeftijd, die beeldhouwer en oud-kunstdocent bleek te zijn. Hij vertelde over een zomerproject waar hij als vrijwilliger bij betrokken was geweest. Een groep schoolkinderen had, door hem geïnspireerd, uit straatafval een beeldengroep gecreëerd voor het binnenplein van het restaurant. We moesten er zéker een kijkje gaan nemen, nu we zijn stad eer aandeden met ons bezoek. Dat deden we. En we gingen meteen eten in Côté Saveurs, want de kaart en de prijzen stonden ons aan. Sindsdien, als we op donderdag naar de markt gaan, reserveren we er vooraf een tafeltje. Wat een vriendelijke staf en wat een geraffineerde keuken!

Villefranche is het schoolvoorbeeld van een laatmiddeleeuwse ‘bastide’, een compacte stad die is opgedeeld in smalle, rechte, haaks op elkaar staande straten en huizenblokken, die om een centraal plein heen liggen, het middelpunt van het religieuze en burgerlijke leven in die tijd. Dat plein heet in het geval van Villefranche-la-Rouergue de Place Notre Dame. Karakteristieke arcades geven het cachet. Aan het plein ligt een imposante kapittelkerk, met een klokkentoren die de openbare ruimte als een boog overspant. In de toren speelt een carillon, althans op donderdag, altijd dezelfde deuntjes, waaronder het refrein van een chanson van Georges Brassens, dat ik wel ken, maar waarvan me de naam nooit te binnen wil schieten. Ook nu niet.

Villefranche – stad van kooplieden

De Place Notre Dame is het middelpunt van de bastide én van de markt. Zomers verspreiden de kooplieden zich over de gehele oude stad en zelfs over de aangrenzende nieuwere delen. In de winter is het zoals het vroeger was. Dan speelt het marktgebeuren zich af op de Place Notre Dame die is voorbehouden aan de lokale groente- en fruittelers, kaasboertjes en ambachtelijke slagers. Je vindt er veel streeklekkernijen, zoals de farçous, een hartige kruiden- en knoflookbeignet. Hij wordt ter plekke door de koopman gefrituurd en je eet hem uit vetvrij papier.

Toen we Villefranche-la-Rouergue de laatste keer bezochten, het afgelopen voorjaar, wandelden we na een voortreffelijke maaltijd bij Côté Saveurs op ons gemak terug naar het oude centrum. Het is steeds weer nauwelijks voorstelbaar hoe de stad in extreem korte tijd een gedaanteverwisseling ondergaat. Alle kraampjes van de weekmarkt lijken in de vroege middag als sneeuw voor de zon verdwenen en de straten zijn tot in de kleinste hoeken aangeveegd. Alles proper.

Op de Place Notre Dame drinken we onder een van de arcades een kop koffie. Op het plein heerst een serene stilte en rust. Dan verschijnt er vanonder de klingelende  klokkentoren een schoolklas ten tonele, die zich zeer gedisciplineerd laat meelokken door een energieke jongeman. Halverwege het plein houdt de klas stil. De leerlingen scharen zich om hun meester heen en kijken nieuwsgierig naar hem op. Wij kijken mee. Hij wijst, gebaart en vertelt. Hij wekt bisschoppen en bouwmeesters tot leven en onttrekt dichters en denkers aan de vergetelheid. Hij gidst zijn jonge volgelingen door de krochten van de tijd. Hij verdient een standbeeld, deze koopman in kennis.

Nederlandse wijnen

Een krans voor Nederlandse wijn

Graag kom ik nog even terug op mijn laatste blog over de rivierkreeftjes. Bij de maaltijd, bereid door onze Franse buren, dronken we Nederlandse wijnen, een mousserende en een ‘gewone’ witte. Beide vielen zeer goed in de smaak bij onze tafelgenoten. Zij zijn redelijke kenners en genieters en waren er echt enthousiast over.

Nederlandse wijnen

Het is alweer enige tijd geleden dat vrienden uit Nederland een doos met rode en witte wijnen van Hollandse bodem voor ons meebrachten. We namen deze dankbaar in ontvangst, maar konden een zekere mate van scepsis niet verbergen. Alles leuk en wel, maar Nederland met zijn schrale weer associeer je niet direct met wijnbouw. ‘Probeer nou maar gewoon’, zeiden onze vrienden, ‘dan horen we later wel wat jullie ervan vonden.’

Zo gezegd, zo gedaan. Allereerst probeerden we een paar rode varianten. We vonden ze zeer aangenaam en verrassend. En onlangs dus de lakmoesproef: een mini-proeverij met de Franse buren. Zoals eerder beschreven, waren ze een en al lof. We dronken een Raar Blanc de Blanc, een tintelende wijn van De Raarberg uit Limburg. Daarna proefden we een Chardonnay uit 2013 van domein de Wijngaardsberg, eveneens in Limburg, in een streek waar volgens de sympathieke website al in het jaar 968 wijnstokken langs de Romeinse weg stonden.

2018 wordt een topjaar voor Nederlandse wijnen

Vooral de Chardonnay deed onze buurman glunderen. Volgens hem is het altijd oppassen geblazen met iets oudere witte wijnen. Ze pakken matig of juist heel goed uit. Deze kreeg het predicaat ‘heel goed’.

Ook in Nederland zelf oogsten Nederlandse wijnen steeds meer lof. Vooral restaurants vinden het leuk om ze op de kaart te zetten. Gezien het waanzinnig mooie weer van deze zomer, verwachten de Nederlandse wijnbouwers dat 2018 een topjaar wordt. Dat belooft dus veel goeds. Terwijl de traditionele boeren zwaar te lijden hadden en hebben onder de droogte, dansen de wijnboeren op tafel, zo las ik in een artikel in het Financieel Dagblad.

Altijd een aansprekend cadeau bij de hand

Dat het zo’n goed jaar wordt, heeft ons doen besluiten een leuke voorraad Nederlandse wijnen aan te leggen. Niet zozeer voor onszelf, maar omdat we dan altijd een aansprekend cadeau bij de hand hebben voor als we op visite gaan bij Franse buren of kennissen. Weer eens wat anders dan kaas, bloembollen of een pot rolmopsen. Eerlijk gezegd vind ik het altijd moeilijk om voor Fransen een wijn te kiezen, maar met een Nederlandse wijn zit je altijd goed, omdat er een verhaal aan vastzit. Fransen praten graag over wijn, dus zo heb je meteen gespreksstof. Het is maar een tip.

Er is één webshop die volledig gespecialiseerd is in Nederlandse wijnen. De wijnmakers vertellen er hun eigen verhalen en de aangeboden wijnen zijn goed omschreven. Je vindt er geen ‘slobberwijnen’ van vijf of zes euro en bij mijn eerste kennismaking vond ik het prijsniveau relatief pittig, maar de kwaliteit is ernaar. (Ik heb géén aandelen!). Daar komt bij dat elke fles een min of meer exclusief karakter heeft, gezien de kleinschaligheid van de Nederlandse wijnproductie. De Nederlandse wijnbouw beslaat zo’n 157 hectare tegen ruim 800.000 hectare voor de Franse wijnbouw. Dus ga maar na.

Enfin, ik wilde deze ervaring graag delen. Wilt u meer weten? lees de verhalen van de Nederlandse wijnbouwers.

 

 

In schone grond

In schone grond rust je beter

Wij hebben een jonge, ambitieuze burgemeester. Om te ontsnappen aan de waan van de dag kwam hij vanuit een drukke en dure Zuid-Franse stad deze kant uit. Hij kocht een oude boerenhoeve, stichtte een gezin en startte een biologisch geitenkaasbedrijf. De kaasjes zijn van onberispelijke kwaliteit. Je koopt ze bij hem ‘aan huis’ of op een van de weekmarkten van de Creuse.

In schone grond

 

Nicolas, zo heet onze jonge, ambitieuze burgemeester, besloot zich bij de laatste gemeentelijke verkiezingen in de strijd te gooien voor het ambt. Dat was in 2014. De tijd vliegt. Niemand gaf hem ook maar een schijn van kans. Alleen al het vinden van gegadigden voor de lijst was een heikel avontuur, maar Nicolas volhardde. Hij wist vooral de jongere generatie aan zijn idealen te verbinden. De ontsteltenis was groot toen Nicolas en zijn jonge honden de verkiezingen met overgrote meerderheid wonnen. De oude garde werd weggevaagd.

Een streep door de rekening, de bezem door het hok

Vooral onze plaatselijke jagersvereniging was in rep en roer. De burgemeestersgage werd al sinds jaar en dag opgestreken door de voorzitter van de club en het volledige budget voor Vermaak en Educatie werd sinds mensenheugenis jaarlijks opgesoupeerd door etentjes en manifestaties rond het jachtgebeuren. Nicolas en zijn raad van elf haalden een dikke streep door de rekening. Ook ging de bezem door het hok. De secretaresse uit de grote stad werd vervangen door een lokale jongedame die al jaren werk zocht en de cantonnier die voor de verkiezingen riep liever zijn eigen strooien hoed op te eten dan ooit voor dit ‘stelletje rooien’ te zullen werken, kreeg stante pede zijn congé. De bermen zien er sindsdien veel beter verzorgd uit.

Het geval wil dat er geenszins sprake is van een ‘stelletje rooien’. De huidige generatie denkt allang niet meer in dergelijke dogma’s. Nicolas en zijn raad zijn gezworen ecologisten. Een afkeer van de jacht hoort daarbij als bruine saus bij een wildragout. Sinds de wisseling van de wacht mag onze gemeente zich eens per jaar verheugen op een zomers weidefeest, waar alternatieve gerechten en biologische biertjes en wijnen worden opgediend. En geitenkaasjes, uiteraard. Ook vinden er kleinschalige concerten van lokaal allooi plaats en zijn er romantische openluchtfilmvoorstellingen. Ik vind het een vooruitgang.

Voor de dode bloemen

En er wordt nog veel meer progressie geboekt. Zo zag ik een dezer dagen, tijdens mijn gewoontewandeling door het dorp, bij de ingang van ons kerkhof een bordje dat mij vertelde dat onze gemeente het verschil wil maken voor de natuur. Met een ecologisch verantwoorde rustplaats. Honderd procent pesticidenvrij onderhouden. Onder het bordje is demonstratief een houten compostbak neergezet. Voor de dode bloemen. Dat ons knusse knekelveldje weinig onderhoud vergt, er ligt voornamelijk asfalt tussen de tombes, mag de pret niet drukken. Dat de dodenakker als een nietige postzegel in een oneindig boerenlandschap ligt dat vrijwel dagelijks wordt besprenkeld met alles wat God aan pesticiden verboden heeft, doet aan de nobele bedoelingen niets af.

Ik sta erbij en kijk ernaar. Ontroerd en mild gestemd. Het leven is goed zoals het is. De natuurlijke cyclus heeft zijn beloop en het is wenselijk en billijk dat de oudere generatie ruim baan maakt voor de jongere. Nieuwe tijden, nieuw hoorngeschal. Het heden is aan de ecologisten. Dankzij hen mag ik straks eeuwig rusten in schone grond. Kom daar maar eens om.