Herfst in Uzerche

In verleiding gebracht door uitzinnig herfstweer en een welluidende naam uit de Franse literatuur, maakten we onlangs een wandeling langs de oevers van de Vézère. Daar waar de rivier een mooie krul om Uzerche maakt, een stadje met opmerkelijk veel torens, gefundeerd op een stoere rots. Ook wel bekend als ‘de parel van de Limousin’.

Door de hoge, in hun herfsttooi gehulde bomen heen hielden we lange tijd zicht op de boven de rivier verheven vesting. Deze speelde al een strategische rol toen de Romeinen bakkeleiden met de Galliërs. De huidige kern van Uzerche vindt zijn oorsprong in de vroege middeleeuwen. Naar verluidt werd de stad zeven jaar bezet door de beduchte Saracenen, een verzamelnaam voor moslims uit verschillende windrichtingen, die allemaal op één hoop werden gegooid. Terwijl het rijk van Karel de Grote verbrokkelde, rond 800, hielden de Saracenen stevig huis in Zuid-Europa. Vergeleken met de volksverplaatsingen van toen, zou het huidige migratievraagstuk een peulenschil moeten zijn.

Van de middeleeuwen naar vrouwenrechten – alles kan in Uzerche

Maar we liepen daar niet ter ere van Karel de Grote en de Saracenen, hoewel die ook bijzondere literatuur opleverden, zoals het Chanson de Roland, dat in het Middelnederlands werd bewerkt tot het Roelantslied. De oorspronkelijke Franse versie bezingt in pakweg vierduizend epische verzen de heldendaden van ridder Roland die ergens in een pas in de Pyreneeën door verraad het leven laat. De Saracenen, de moslims, dus, krijgen in de heldenroman de schuld. Waarschijnlijk waren de Basken de werkelijke boosdoeners.

Toegegeven, het is een gigantische stap: van de middeleeuwse literatuur naar Simone de Beauvoir. Naar haar is de route bij Uzerche vernoemd. De Beauvoir leefde van 1908 tot 1986. Tot de dood hen scheidde, was ze de grote liefde van Jean Paul Sartre, met wie ze uit principe weigerde te trouwen. Ze was een voorvechtster van vrouwenrechten. “Je wordt niet als vrouw geboren”, was haar stelling, “maar tot vrouw gemaakt, door de mannen.”

Mandarijnen voor de gewone man

Simone de Beauvoir heeft een indrukwekkende reeks boeken op haar naam staan, waaronder Les Mandarins, dat in 1954 bekroond werd met de belangrijkste letterkundige prijs van Frankrijk, de Prix Concourt. Hoofdthema van de vuistdikke roman, vernoemd naar de bestuursambtenaren van het bureaucratische Chinese keizerrijk, is de afstand tussen de linkse intellectuele elite, waarvan De Beauvoir en Sartre boegbeelden waren, en de ‘gewone man’, voor wie zij met hun politieke pamfletten in de bres sprongen.

We plukten de wandeling rond Uzerche van internet, en hadden, wandelend langs de kalm kabbelende oever van de Vézère, onder een korenbloemblauwe herfsthemel, eerlijk gezegd geen idee waarom het parcours ooit naar Simone de Beauvoir is vernoemd. Het vijf kilometer lange circuit begint bij het oude treinstation van Uzerche, waar we vooraf picknickten. Nergens was een informatiebord te vinden waarop te lezen viel waar we op moesten letten om iets vaardig te worden van de verlichte geest van een van Frankrijks grootste schrijfsters en denksters. Stom. Ik had mijn huiswerk moeten doen alvorens ons naar Uzerche te begeven.

Gedreven door nieuwsgierigheid en hongerend naar cultuur, klommen we na de wandeling naar de stadskern van Uzerche, op het hoogste punt van de rots die door de Vézère wordt omarmd. Het toeristenbureau aan de Place de la Libération, een naam die De Beauvoir zeker had bekoord, was gelukkig open. Ik informeerde naar de wandeling en een vriendelijke jongedame maakte me blij met een gidsje. Tijdens een kop koffie op het terras van het café aan de overkant, waar we met een stralende glimlach werden bediend door een meisje met exotische gelaatstrekken, Marokkaans of Algerijns, schatte ik, las ik hoe de vork in de steel zit.

Uzerche, Limousin: gelukzalige momenten voor een oppassend meisje

Simone de Beauvoir, geboren en getogen in Parijs, bracht als meisje meerdere zomers door in de Limousin. Haar grootvader bezat een huis in de buurt van Uzerche, in Meyrignac, om precies te zijn. Hij erfde het familiehuis van zijn vader. In 1957, zo las ik in het wandelgidsje, schrijft ze in haar Memoires van een oppassend meisje : “Mijn eerste momenten van gelukzaligheid vond ik niet in boeken, noch in mijn strijd tegen de autoriteiten… ik vond ze in het ontwaken van de velden om me heen… het weerzien met de roestrode beuken, de blauwe ceders, de zilveren schittering van de populieren, een glinstering die telkens weer zo fris leek alsof het de eerste ochtend in het paradijs betrof.”

Enige tijd geleden haalde ik in de Pyreneeën bij een Nederlandse dame op leeftijd een indrukwekkend aantal dozen met boeken op. Ze wilde er niets voor hebben. Om ons niet al te bezwaard te voelen, lieten we een mooie fles wijn en een vers gebakken appeltaart achter. In een der dozen trof ik De Mandarijnen van Simone de Beauvoir aan, in een Nederlandstalige versie van woordkunstenaar en Brel-vertaler Ernst van Altena. Het kreeg een mooie plek in de boekenkast. Sindsdien, beken ik schaamtevol, keek ik er niet meer naar om. Meer dan zevenhonderd pagina’s vol priegelletters, dat boezemt niet alleen ontzag maar ook watervrees in.

Maar nu, na onze verkwikkende herfstwandeling sur les pas de Simone de Beauvoir, langs de oevers van de Vézère die zich als een slang om Uzerche kronkelt, weet ik wat me de komende winter te doen staat. Van iemand die zich in dergelijke bewoordingen uitlaat over mijn geliefde Limousin, de mooiste regio van Frankrijk, waar ik met zoveel genoegen woon, wil ik alles lezen.

 

 

Het geheugen van Arrènes

Het geheugen van Arrènes

‘Om de moed erin te houden en ziektes te voorkomen, moet je schoon op jezelf zijn. Met een schoon geboende huid heb je minder te lijden van hitte of kou en zijn je verwondingen minder erg.’ Een voortreffelijk advies. Meegegeven aan die duizenden jonge mannen die tussen 1914 en 1918  hun reis naar het einde van de nacht ondernemen. Ondanks de tip keren velen niet of zwaar gehavend terug. Je kon jezelf schoon schrobben wat je wilde, voor zover dat al mogelijk was, tegen het vijandige vuur op de slagvelden en de misère in de loopgraven was geen kruid gewassen.

 

Het geheugen van Arrènes

 

De Grote Oorlog werd door meer dan anderhalf miljoen Franse soldaten met de dood bekocht. Meer dan vier miljoen soldaten raakten gewond. Dat is, bij elkaar opgeteld, ruim tien procent van de totale Franse bevolking die toen een kleine veertig miljoen zielen telde. Eerlijk gezegd, gaat het mijn verstand te boven.

‘De Grote Oorlog laat zich alleen begrijpen door verbeelding’

Overal in Frankrijk, en elders in Europa, worden de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog herdacht en de doden geëerd. De ‘elfde van de elfde’ kent dit jaar een andere dimensie dan we in Nederland, onder de rivieren, gewend zijn. Op elf november 1918, precies om elf uur ‘s morgens, werd de wapenstilstand beklonken. Na een slachting die zijn weerga niet kent. ‘Geofferd op het altaar van doorgedraaide politici en generaals’, zoals columnist Bert Wagendorp in de Volkskrant schreef. De kop boven zijn column luidt: ‘De Grote Oorlog laat zich alleen begrijpen door de verbeelding.’

 

Het geheugen van Arrènes

Kunnen we de gruwelen ooit bevatten? Van deze en andere oorlogen? Nauwelijks, denk ik. We kunnen er hooguit eerbiedig en huiverend bij stilstaan. Dat gebeurt nu overal, in alle uithoeken van Frankrijk, dus ook in Arrènes, de bescheiden commune waar mijn dorp toe behoort. Als alle Franse communes, verloor ook Arrènes zonen aan la Grande Guerre. Hun namen staan op het oorlogsmonument in steen gebeiteld. Morgen brengen we ze om elf uur precies een salut.

‘Met een schoon geschrobde huid heb je minder te lijden van de hitte of kou en zijn je verwondingen minder erg.’ Met de wetenschap van vandaag de dag klinkt dit volkomen potsierlijk. Goede raad is niet duur, moet men op hoog niveau gedacht hebben, voor de jongens naar het front werden gestuurd, waar ze hun reis meestal met de dood betaalden. De aanbeveling staat in een carnet du soldat, bedoeld voor jongens die naar de hel van de Marne werden gedirigeerd. Ik had het boekje in handen en bladerde er stilletjes doorheen.

Het geheugen van Arrènes

Ik beeldde me een jongeman uit de Creuse in, vers van de boerderij. Hij is zo trots als een aap dat hij zijn vaderland mag dienen, maar ook doodsbang voor wat komen gaat. Hij vecht voor zijn leven tijdens de verschrikkelijke slag bij de Marne. De vijand trekt zich terug, het pleit lijkt gewonnen. Hij staart om zich heen, over de uitgestrekte, vijandige, kale vlakte. Hij denkt aan de vreedzame heuvels van de Creuse, aan thuis, en even verschijnt er een glimlach rond zijn lippen.

De kerst komt eraan. Wat hij niet weet, is dat hij die kerst zal ‘vieren’ in de loopgraven. Het vuil en vocht trekken zijn botten in, de luis nestelt zich in de panden van zijn loodzware jas, zijn voeten bevriezen. Maar gelukkig heeft hij zijn carnet – zijn handboekje voor de soldaat. Hij leest: ‘Om de moed erin te houden en ziektes te voorkomen, moet je schoon op jezelf zijn.’ Het is een wonder dat hij er zijn gat niet mee heeft afgeveegd.

Het geheugen van Arrènes

Dankzij dat kleine wonder uit de Grote Oorlog, kan ik nu door het handboekje heen bladeren. Het is een van de vele memorabilia die de bewoners van Arrènes (244 zielen, volgens de laatste officiële telling) bijeenbrachten voor een kleine herdenkingstentoonstelling in de rechtervleugel van de Mairie, ooit de jongens- of meisjesschool. Het idee ontstond spontaan, tijdens een achteloos gesprek tussen de locoburgemeester en een van de bewoners. Burgers en bestuurders sloegen de handen ineen. Zolders werden overhoop gehaald, verborgen lades omgekeerd, stoffige koffers ontsloten. Er kwam een ongelooflijke hoeveelheid relikwieën tevoorschijn, die in goed vertrouwen werden uitgeleend aan de tijdelijke, vrijwillige conservator, de locoburgemeester. Hij richtte er een ontroerende expositie mee in.

Dagboeken, brieven, in priegelschrift volgeschreven ansichtkaarten om het thuisfront gerust te stellen of te vragen blikjes eten op te sturen; foto’s, een authentieke militaire overjas, ze vormen het geheugen van Arrènes. Niemand is nog in leven om het na te vertellen, maar deze kleine souvenirs bieden houvast om ons althans nog iets voor te stellen bij de ontreddering waar precies honderd jaar geleden een einde aan kwam.

het geheugen van Arrènes

De elfde van de elfde, om elf uur ’s morgens. Daar wordt in alle uithoeken van Frankrijk bij stilgestaan. Bij voorkeur niet met defilés, vuurwerk, of grote woorden. Het zijn de kleine, persoonlijke bewijsstukken die de gruwelen van weleer enigszins invoelbaar maken. In de context, helaas, van de dreigende sfeer die onze wereld honderd jaar na dato in de houdgreep heeft. De Grote Oorlog is alleen te begrijpen door de verbeelding, kopte Bert Wagendorp in de Volkskrant. Helaas is verbeelding een talent dat we bij de huidige wereldleiders node missen. Dat baart me zorgen. Maar er is troost: schoon geschrobd en fris geschoren kunnen we de ellende beter aan.

Het geheugen van Arrènes

‘Schoon en fris geschoren kunnen we de ellende beter aan.’

 

Een koopman in kennis

Wij komen graag in Villefranche-la-Rouergue. Om twee redenen. Allereerst is daar de weekmarkt. Elke donderdag, in alle vroegte, strijken kooplieden uit de wijde omgeving als duiven neer in het historische stadje in de Aveyron. Goedgemutst bouwen ze hun kramen op en stallen ze hun waren uit – etenswaren, wijnen uit de streek, bloemen, planten en kweekgoed, kleding en huistextiel. Ze weten dat er straks aan klanten geen gebrek is. De markt van Villefranche is populair.

De tweede reden waarom we Villefranche graag bezoeken, heet: Côté Saveurs. Dit is een fantastisch restaurant op een wat merkwaardige locatie, iets buiten de oude stad, aan een mistroostig plein, Place Louis Fontang, op de eerste verdieping van wat ooit de brandweerkazerne was. Wij kwamen het restaurant bij toeval op het spoor.

Villefranche – heerlijke markt en geraffineerde keuken

Tijdens een van onze eerste marktbezoeken dronken we een kop koffie op het altijd drukke terras van café Les Colonnes op de hoek van Rue Durand de Montlauzeur, in het epische centrum van het marktgedruis. We raakten er aan de praat met een goed gesoigneerde heer op leeftijd, die beeldhouwer en oud-kunstdocent bleek te zijn. Hij vertelde over een zomerproject waar hij als vrijwilliger bij betrokken was geweest. Een groep schoolkinderen had, door hem geïnspireerd, uit straatafval een beeldengroep gecreëerd voor het binnenplein van het restaurant. We moesten er zéker een kijkje gaan nemen, nu we zijn stad eer aandeden met ons bezoek. Dat deden we. En we gingen meteen eten in Côté Saveurs, want de kaart en de prijzen stonden ons aan. Sindsdien, als we op donderdag naar de markt gaan, reserveren we er vooraf een tafeltje. Wat een vriendelijke staf en wat een geraffineerde keuken!

Villefranche is het schoolvoorbeeld van een laatmiddeleeuwse ‘bastide’, een compacte stad die is opgedeeld in smalle, rechte, haaks op elkaar staande straten en huizenblokken, die om een centraal plein heen liggen, het middelpunt van het religieuze en burgerlijke leven in die tijd. Dat plein heet in het geval van Villefranche-la-Rouergue de Place Notre Dame. Karakteristieke arcades geven het cachet. Aan het plein ligt een imposante kapittelkerk, met een klokkentoren die de openbare ruimte als een boog overspant. In de toren speelt een carillon, althans op donderdag, altijd dezelfde deuntjes, waaronder het refrein van een chanson van Georges Brassens, dat ik wel ken, maar waarvan me de naam nooit te binnen wil schieten. Ook nu niet.

Villefranche – stad van kooplieden

De Place Notre Dame is het middelpunt van de bastide én van de markt. Zomers verspreiden de kooplieden zich over de gehele oude stad en zelfs over de aangrenzende nieuwere delen. In de winter is het zoals het vroeger was. Dan speelt het marktgebeuren zich af op de Place Notre Dame die is voorbehouden aan de lokale groente- en fruittelers, kaasboertjes en ambachtelijke slagers. Je vindt er veel streeklekkernijen, zoals de farçous, een hartige kruiden- en knoflookbeignet. Hij wordt ter plekke door de koopman gefrituurd en je eet hem uit vetvrij papier.

Toen we Villefranche-la-Rouergue de laatste keer bezochten, het afgelopen voorjaar, wandelden we na een voortreffelijke maaltijd bij Côté Saveurs op ons gemak terug naar het oude centrum. Het is steeds weer nauwelijks voorstelbaar hoe de stad in extreem korte tijd een gedaanteverwisseling ondergaat. Alle kraampjes van de weekmarkt lijken in de vroege middag als sneeuw voor de zon verdwenen en de straten zijn tot in de kleinste hoeken aangeveegd. Alles proper.

Op de Place Notre Dame drinken we onder een van de arcades een kop koffie. Op het plein heerst een serene stilte en rust. Dan verschijnt er vanonder de klingelende  klokkentoren een schoolklas ten tonele, die zich zeer gedisciplineerd laat meelokken door een energieke jongeman. Halverwege het plein houdt de klas stil. De leerlingen scharen zich om hun meester heen en kijken nieuwsgierig naar hem op. Wij kijken mee. Hij wijst, gebaart en vertelt. Hij wekt bisschoppen en bouwmeesters tot leven en onttrekt dichters en denkers aan de vergetelheid. Hij gidst zijn jonge volgelingen door de krochten van de tijd. Hij verdient een standbeeld, deze koopman in kennis.

Fake news

Fake news in Frankrijk

Als er één land is dat fier is op zijn eigen taal en nog immer ten strijde trekt tegen de vermaledijde verengelsing, is het Frankrijk. Zodra een Engelse term gemeengoed dreigt te worden, gaan de Franse stekels recht overeind staan. Dan komt er prompt een commissie van wijze dames en heren bijeen en gaat men naarstig op zoek naar een geschikt Franstalig equivalent.

Fake news

 

Deze bewuste commissie is in 1996 in het leven geroepen en valt onder directe verantwoordelijkheid van de Franse premier. Dat onderstreept dat we van doen hebben met een gewichtige kwestie. Er zitten louter lieden in die hun sporen in de Franse taal en cultuur hebben verdiend en de commissie onderhoudt een hechte band met de roemruchte Académie française. De oorspronkelijke naam van het illustere gezelschap luidt commission générale de terminologie et de néologie.

‘Saai!’, moet men gedacht hebben, want in 2015 werd het instituut omgedoopt tot la Commission d’enrichissement de la langue française. Klinkt veel beter. En het doet meer recht aan de missie die de leden krijgen opgedragen: zich met hart en ziel inzetten voor de verrijking van de Franse taal. Waar vind je zoiets?

Een geval van hoge urgentie

Onlangs boog de commissie zich, onder voorzitterschap van ene Frédéric Vitoux, romanschrijver en lid van de genoemde académie, voltallig en vol vuur over een Engelstalig begrip dat in een rap tempo ingeburgerd dreigde te raken in het Franse taaldomein. Daar moest een stokje voor gestoken worden, stel je voor! Is het geen bewijs van geestelijke armoede en collectief onvermogen als we daar geen eigen, voor iedereen heldere en liefst tot de verbeelding sprekende uitdrukking voor weten te bedenken? Luidt een dergelijke omissie niet het begin van het einde van  l’état in?

Dat kon de commissie ter verrijking van de Franse taal uiteraard niet over zijn kant laten gaan. Er werd vergaderd, er werd geluncht, er werd vergaderd, er werd gedineerd, er werd geslapen en gewoeld, er werd vergaderd, enzovoorts.

Satire of fake news?

En dat alles vanwege één Engelstalig begrip dat de gemoederen op vele fronten bezighoudt: fake news. Nieuw is het begrip niet, trouwens. Wikipedia leert dat de vaste samenstelling begin deze eeuw in de Engelstalige wereld voet aan de grond kreeg als benaming voor uit de duim gezogen nieuwsberichten van satirische mediaprogramma’s. Tot zover niets aan de hand. Satire weten wij als eenvoudige nieuwsconsumenten nog wel van ‘echt’ te onderscheiden.

Maar met de opkomst van social media verliest de samenstelling zijn onschuld. Iedereen kan zijn eigen waarheid de wereld in slingeren, goedbedoeld of kwaadwillend. Vooral de Russen lijken zich hier meesters in te tonen. De bewijzen zijn nog steeds niet hard, maar naar verluidt ondernamen Russische trollen hardnekkige pogingen om zieltjes te winnen voor de Brexit en om brulboei Trump aan de macht te helpen en roeren ze thans de trollentrom om ons te indoctrineren met de idee dat iedereen die het niet onvoorwaardelijk eens is met de Catalaanse separatisten op zijn minst een oudoom heeft met sympathieën voor de nazi’s en franquistas.

Fake news wordt onwelgevallig nieuws

Brulboei Trump bracht het begrip weer aan het wankelen door er zijn eigen dimensie aan te verlenen. Was fake news voorheen redelijk gemakkelijk herkenbaar, omdat het om satire ging, of om een overdreven voorstelling van zaken, of omdat je op je klompen kon aanvoelen dat het onwaarachtig was, nu noemt jan en alleman in navolging van brulboei Trump al het nieuws dat hem of haar onwelgevallig is fake news.

Eerbiedwaardige nieuwsinstituten als The New York Times en de Washington Post brengen volgens de rancuneuze leer van Trump alleen nog maar fake news. Niet alleen politici, multinationals en bankiers maken zich schuldig aan deze omkering, ook voetballers weten er raad mee. ‘Ik, de goddelijke Cristiano Ronaldo, zou een vrouw hebben verkracht? Fake news! Ze willen zich over mijn rug verrijken. Zo zit dat. En die afkoopsom van 375 duizend dollar? Ach, een voorschotje…’

In Frankrijk zeggen we voortaan…

Gelukkig is er in Frankrijk een eerbiedwaardige commissie die niet zichzelf maar de nobele Franse taal wil verrijken – La Commission d’enrichissement de la langue française. De eerbiedwaardige leden kwamen in een lange reeks spoedzittingen bijeen, want de nood was hoog en de uitdaging stevig. Het was bepaald geen sinecure om voor het snel aan populariteit winnende Engelstalige begrip fake news een lekker bekkend equivalent te vinden. Maar het vijftienkoppige gezelschap kwam eruit. De oplossing werd onlangs in de Franse Staatscourant gepubliceerd. We ‘mogen’ vanaf 4 oktober information fallacieuse zeggen, als we ons niet schuldig willen maken aan verengelsing, maar de voorkeur gaat uit naar een geheel nieuw en bepaald spitsvondig woord – een absolute verrijking van de Franse taal. De taalinnovatie luidt: infox.

Daar zijn we even stil van. Infox is een neologisme, een nieuw gecreëerd woord, dat meestal ontstaat door een woord uit een andere taal tot iets eigens om te vormen. In dit geval dankt Frankrijk de taalinnovatie aan de samenvoeging van twee woorden uit haar eigen taal: information en intoxication.  Informatie en vergiftiging. Infox, zo preciseert de commissie haar vondst, is ‘leugenachtig of opzettelijk verdraaid nieuws met als doel een politieke persoon of partij te bena- of bevoordelen, de reputatie van een persoon of bedrijf te gronde te richten, of wetenschappelijk bewezen en erkende feiten onderuit de halen. Voor brulaap Trump en Cristiano Ronaldo dus ál het nieuws dat hén onwelgevallig is.

Wat een onvergetelijk eureka-moment moet dat geweest zijn. Na wekenlang vergaderen, proeven, wikken, wegen, verwerpen en opnieuw beginnen, roept één van de leden, kort na de riante driegangen-lunch: ‘Ik heb ‘m, jongens, ik heb de oplossing: INFOX… hoe vind je ‘m? Is-ie niet génial?!’ Iedereen is overdonderd; met stomheid geslagen. Met de korte toelichting van het geachte lid neemt de bewondering toe INFORMATION + INTOXICATION = INFOX. De voorzitter hamert af. Men gaat vroeg en tevreden aan het aperitief, vandaag. Morgen staat het in de krant.

En iedereen die het verhaal leest, vraagt zich in gemoede af: is dit echt of is dit nep of gaat dit nieuws ons gezonde verstand te boven?

Nederlandse wijnen

Een krans voor Nederlandse wijn

Graag kom ik nog even terug op mijn laatste blog over de rivierkreeftjes. Bij de maaltijd, bereid door onze Franse buren, dronken we Nederlandse wijnen, een mousserende en een ‘gewone’ witte. Beide vielen zeer goed in de smaak bij onze tafelgenoten. Zij zijn redelijke kenners en genieters en waren er echt enthousiast over.

Nederlandse wijnen

Het is alweer enige tijd geleden dat vrienden uit Nederland een doos met rode en witte wijnen van Hollandse bodem voor ons meebrachten. We namen deze dankbaar in ontvangst, maar konden een zekere mate van scepsis niet verbergen. Alles leuk en wel, maar Nederland met zijn schrale weer associeer je niet direct met wijnbouw. ‘Probeer nou maar gewoon’, zeiden onze vrienden, ‘dan horen we later wel wat jullie ervan vonden.’

Zo gezegd, zo gedaan. Allereerst probeerden we een paar rode varianten. We vonden ze zeer aangenaam en verrassend. En onlangs dus de lakmoesproef: een mini-proeverij met de Franse buren. Zoals eerder beschreven, waren ze een en al lof. We dronken een Raar Blanc de Blanc, een tintelende wijn van De Raarberg uit Limburg. Daarna proefden we een Chardonnay uit 2013 van domein de Wijngaardsberg, eveneens in Limburg, in een streek waar volgens de sympathieke website al in het jaar 968 wijnstokken langs de Romeinse weg stonden.

2018 wordt een topjaar voor Nederlandse wijnen

Vooral de Chardonnay deed onze buurman glunderen. Volgens hem is het altijd oppassen geblazen met iets oudere witte wijnen. Ze pakken matig of juist heel goed uit. Deze kreeg het predicaat ‘heel goed’.

Ook in Nederland zelf oogsten Nederlandse wijnen steeds meer lof. Vooral restaurants vinden het leuk om ze op de kaart te zetten. Gezien het waanzinnig mooie weer van deze zomer, verwachten de Nederlandse wijnbouwers dat 2018 een topjaar wordt. Dat belooft dus veel goeds. Terwijl de traditionele boeren zwaar te lijden hadden en hebben onder de droogte, dansen de wijnboeren op tafel, zo las ik in een artikel in het Financieel Dagblad.

Altijd een aansprekend cadeau bij de hand

Dat het zo’n goed jaar wordt, heeft ons doen besluiten een leuke voorraad Nederlandse wijnen aan te leggen. Niet zozeer voor onszelf, maar omdat we dan altijd een aansprekend cadeau bij de hand hebben voor als we op visite gaan bij Franse buren of kennissen. Weer eens wat anders dan kaas, bloembollen of een pot rolmopsen. Eerlijk gezegd vind ik het altijd moeilijk om voor Fransen een wijn te kiezen, maar met een Nederlandse wijn zit je altijd goed, omdat er een verhaal aan vastzit. Fransen praten graag over wijn, dus zo heb je meteen gespreksstof. Het is maar een tip.

Er is één webshop die volledig gespecialiseerd is in Nederlandse wijnen. De wijnmakers vertellen er hun eigen verhalen en de aangeboden wijnen zijn goed omschreven. Je vindt er geen ‘slobberwijnen’ van vijf of zes euro en bij mijn eerste kennismaking vond ik het prijsniveau relatief pittig, maar de kwaliteit is ernaar. (Ik heb géén aandelen!). Daar komt bij dat elke fles een min of meer exclusief karakter heeft, gezien de kleinschaligheid van de Nederlandse wijnproductie. De Nederlandse wijnbouw beslaat zo’n 157 hectare tegen ruim 800.000 hectare voor de Franse wijnbouw. Dus ga maar na.

Enfin, ik wilde deze ervaring graag delen. Wilt u meer weten? lees de verhalen van de Nederlandse wijnbouwers.

 

 

Vrouw met megafoon

Een tweede levenproject

Deze heerlijke zomer zag ik in ons dorp meer vakantiegangers komen en gaan dan ooit tevoren. De meesten ken ik wel, van gezicht, vooral. Het zijn Fransen die hier een familiehuis hebben, dat ze af en toe gebruiken om te ontsnappen aan de drukte van de stad waar ze wonen, meestal Parijs. Sommigen overwegen met hun pensionering definitief deze kant uit te komen. Anderen gruwen bij die gedachte. ‘Veel te stil en niks te doen.’

Vrouw met megafoon

Bertrand en Evelyne hebben de stap wel gezet. Zij kochten hier twintig jaar geleden een huis dat ze gebruikten als vakantiestek. Ze hebben geen familiebanden met de Creuse, maar raakten er wel aan verknocht. Ze komen trouwens niet uit Parijs, maar uit de Aisne, in Noord-Frankrijk. Daar woonden ze een werkzaam leven lang aan een drukke doorgaande weg, begreep ik van Bertrand. Met Evelyne mocht ik het genoegen van een gesprek nog niet proeven.

Het leven als project

Begin juli namen ze hun intrek in de boerenwoning tegenover ons. Zo hadden we ineens buren. Dat was lang geleden, want het huis was weliswaar ooit bedoeld als gîte, maar is al in geen jaren meer als zodanig gebruikt. De eigenaresse, die aan ons uiteinde van het dorp woont, heeft er sinds ze haar man verloor geen zin meer in. Zij verhuurt het huis alleen bij speciale gelegenheden. Daar is in het geval van Bertrand en Evelyne sprake van, want hun vakantiehuis, dat aan het andere uiteinde van het dorp ligt, wordt ingrijpend gerestaureerd, zodat ze comfortabel kunnen genieten van hun welverdiende oude dag.

Bertrand, die elke gelegenheid aangrijpt om plotseling tevoorschijn te schieten en me de stuipen op het lijf te jagen, spreekt van notre deuxième projet de vie. Geen idee wat hij bedoelt, maar ik beleef het bestaan dan ook niet als ‘een project’. Bertrand weet inmiddels dat ik vaak vanuit huis lange wandelingen maak en gaf laatst te kennen dat hij veel zin heeft om mij daarin te vergezellen, zodra hij en Evelyne helemaal geïnstalleerd zijn. Ik moet nog een list verzinnen om deze behoefte de kop in te drukken, zonder onbeleefd te zijn. Anders kan ik mijn huis de komende jaren alleen nog incognito verlaten. Ik zwerf graag alleen door de heuvels, met mijn eigen gedachten.

Een ingebouwde megafoon

Hij lijkt me een goedzak, Bertrand, maar wat zal ik blij zijn als ze straks hun eigen huis in kunnen. Dat komt door Evelyne. De vrouw bezorgt me schele koppijn met haar ongemeen schelle stemgeluid. In haar strottenhoofd is een megafoon ingebouwd. Ze heeft het hoogste woord en houdt geen moment haar waffel. Ze kakelt en schettert door alles en iedereen heen, snauwt commando’s naar manlief en voert, omdat ze binnen vanwege de dikke muren geen bereik heeft, haar eindeloze telefoongesprekken buiten, waggelend over het erf. Haar tekst is tot in drie dorpen verderop te verstaan. Haar schrille stem, die me ineen doet krimpen, schalt de godganse dag door onze anders zo vreedzame vallei.

Achter hun tijdelijke onderkomen ligt een riante tuin, op het zuiden, maar Evelyne verkiest het voorerf. Dan kan ze alles beter ‘overzien’. Loopt er iemand langs, dan roept ze reeds van verre luid om aandacht. Het erf ligt schuin tegenover mijn werkkamer en ik heb al menigmaal bij veertig graden Celsius mijn ramen moeten sluiten om mijn klanten nog te kunnen verstaan. Steeds als ze haar stem opzet, moet ik me beheersen om me niet op hoge poten en met het schuim op mijn lippen naar de overkant te spoeden en haar keel dicht te knijpen. Dat gebeurt niet, natuurlijk, want ik ben geen gewelddadig mens. Bovendien, tussen droom en daad staan wetten in de weg. En praktische bezwaren. Enfin, u kent uw klassiekers.

Dagelijks loop ik naar het renovatieobject om me te vergewissen van de voortgang. Het schiet op. De afgelopen week werden de ramen en voordeur gemonteerd. Ze zijn van wit pvc. Nog een paar weken, schat ik, dan keren de stilte en rust terug en kan ik weer ongezien uit wandelen, alléén. Wel fijn, trouwens, dat ons dorp er weer bewoners bij heeft, want de leegloop van de Creuse is zorgwekkend. Ik wens Bertrand en Evelyne dan ook een zeer geslaagd ‘tweede levenproject’. Aan de andere kant van het dorp.

 

In schone grond

In schone grond rust je beter

Wij hebben een jonge, ambitieuze burgemeester. Om te ontsnappen aan de waan van de dag kwam hij vanuit een drukke en dure Zuid-Franse stad deze kant uit. Hij kocht een oude boerenhoeve, stichtte een gezin en startte een biologisch geitenkaasbedrijf. De kaasjes zijn van onberispelijke kwaliteit. Je koopt ze bij hem ‘aan huis’ of op een van de weekmarkten van de Creuse.

In schone grond

 

Nicolas, zo heet onze jonge, ambitieuze burgemeester, besloot zich bij de laatste gemeentelijke verkiezingen in de strijd te gooien voor het ambt. Dat was in 2014. De tijd vliegt. Niemand gaf hem ook maar een schijn van kans. Alleen al het vinden van gegadigden voor de lijst was een heikel avontuur, maar Nicolas volhardde. Hij wist vooral de jongere generatie aan zijn idealen te verbinden. De ontsteltenis was groot toen Nicolas en zijn jonge honden de verkiezingen met overgrote meerderheid wonnen. De oude garde werd weggevaagd.

Een streep door de rekening, de bezem door het hok

Vooral onze plaatselijke jagersvereniging was in rep en roer. De burgemeestersgage werd al sinds jaar en dag opgestreken door de voorzitter van de club en het volledige budget voor Vermaak en Educatie werd sinds mensenheugenis jaarlijks opgesoupeerd door etentjes en manifestaties rond het jachtgebeuren. Nicolas en zijn raad van elf haalden een dikke streep door de rekening. Ook ging de bezem door het hok. De secretaresse uit de grote stad werd vervangen door een lokale jongedame die al jaren werk zocht en de cantonnier die voor de verkiezingen riep liever zijn eigen strooien hoed op te eten dan ooit voor dit ‘stelletje rooien’ te zullen werken, kreeg stante pede zijn congé. De bermen zien er sindsdien veel beter verzorgd uit.

Het geval wil dat er geenszins sprake is van een ‘stelletje rooien’. De huidige generatie denkt allang niet meer in dergelijke dogma’s. Nicolas en zijn raad zijn gezworen ecologisten. Een afkeer van de jacht hoort daarbij als bruine saus bij een wildragout. Sinds de wisseling van de wacht mag onze gemeente zich eens per jaar verheugen op een zomers weidefeest, waar alternatieve gerechten en biologische biertjes en wijnen worden opgediend. En geitenkaasjes, uiteraard. Ook vinden er kleinschalige concerten van lokaal allooi plaats en zijn er romantische openluchtfilmvoorstellingen. Ik vind het een vooruitgang.

Voor de dode bloemen

En er wordt nog veel meer progressie geboekt. Zo zag ik een dezer dagen, tijdens mijn gewoontewandeling door het dorp, bij de ingang van ons kerkhof een bordje dat mij vertelde dat onze gemeente het verschil wil maken voor de natuur. Met een ecologisch verantwoorde rustplaats. Honderd procent pesticidenvrij onderhouden. Onder het bordje is demonstratief een houten compostbak neergezet. Voor de dode bloemen. Dat ons knusse knekelveldje weinig onderhoud vergt, er ligt voornamelijk asfalt tussen de tombes, mag de pret niet drukken. Dat de dodenakker als een nietige postzegel in een oneindig boerenlandschap ligt dat vrijwel dagelijks wordt besprenkeld met alles wat God aan pesticiden verboden heeft, doet aan de nobele bedoelingen niets af.

Ik sta erbij en kijk ernaar. Ontroerd en mild gestemd. Het leven is goed zoals het is. De natuurlijke cyclus heeft zijn beloop en het is wenselijk en billijk dat de oudere generatie ruim baan maakt voor de jongere. Nieuwe tijden, nieuw hoorngeschal. Het heden is aan de ecologisten. Dankzij hen mag ik straks eeuwig rusten in schone grond. Kom daar maar eens om.

 

Alles draait uit op stront

Alles draait altijd uit op stront

Als vrijwillige banneling in Frankrijk luister ik vrijwel elke zaterdagmorgen op Radio 1 naar Taalstaat, gepresenteerd door muziek- en taalliefhebber Frits Spits. Soms moet ik me door de Nederlandstalige hiphopmuziek heen bijten, maar over het algemeen beleef ik veel plezier aan deze twee wetenswaardige en vermakelijke radio-uurtjes.

Alles draait uit op stront

 

Een van mijn favoriete programmaonderdelen is Het Vergeetwoord. Als luisteraar kun je een woord adopteren dat in de vergeethoek raakte of dreigt te raken. Er komen verrassende nostalgische woorden langs. Onlangs ontfermde een trouwe luisteraar zich over het woord drentelen. Daarmee wordt traag en weifelend heen en weer schuifelen aangeduid – doel- en besluiteloos. Het is een heerlijke staat van zijn als je niets hoeft, maar geen zin hebt om op je krent te zitten.

Op zoek naar de oorsprong van het woord kom ik uit bij trentelen dat waarschijnlijk is afgeleid van een ander vergeten woord, trendel. Dat staat voor spinnewiel of schijf en in het West-Vlaams voor pannenkoek. De ‘t’ veranderde al drentelend in een ‘d’. Volgens de geleerden gebeurde dat onder invloed van woorden met een min of meer verwante betekenis als dralen en dreutelen. 

Dreutel, een feestelijk woord

Vergeten woorden. Je raakt er niet op uitgekeken. Via dreutelen is het een kleine stap naar dreutel. Een feestelijk woord, vind ik. Het betekent niet alleen een treuzelaar, maar ook een hoopje drek of een keutel. Eén geleerde omschrijft de dreutel als een hard poepbolletje. Heerlijk.

Sinds de herontdekking van de dreutel  allitereer ik er bij elke gelegenheid in relatie tot mijn stoelgang op los.  ‘Ik ben drachtig van een dreutel”, kraai ik te pas en te onpas. Of: ‘Nu ga ik eerst op het gemak een droomdreutel draaien’. En na de nobele daad deel ik mee aan wie het horen wil: ‘Zo, dat was een dreutel naar draagkracht.’

Mijn gehoor beperkt zich meestal tot mijn vrouw, die hier al jaren aan gewend is en doet of haar neus bloedt. Wijlen mijn moeder zou daarentegen zeggen: bij jou draait altijd alles uit op stront.

De kleine prins

Maak de kleine prins in jezelf wakker

Achter de deur van kamer 32 van hotel Le Grand Balcon in Toulouse zit een bijzondere geschiedenis. In 1926 neemt Antoine de Saint-Exupéry hier zijn intrek. Het hotel is dan nog een eenvoudig familiepension. Kamer 32 staat op de Franse erfgoedlijst en is zeer gewild. Wij logeren in een andere kamer, maar mogen even naar binnen gluren. De jaren twintig in volle glorie. ’s Middags, in de hoofdstraat van de roze stad, koop ik Le Petit Prince.

De kleine prins

 

Bladerend denk ik terug aan mijn Franse lessen, op de middelbare school. Ik weet de naam van mijn leraar nog: Gribnau. Wij botsten veelvuldig, omdat ik het flauwekul vond om op de automatische piloot woordjes in mijn kop te stampen. Daar heb ik nog dagelijks spijt van, maar dat is een ander verhaal. Le Petit Prince stond op mijn leeslijst. Omdat het boekje lekker dun was. Ik maakte me er met een jantje-van-leiden vanaf, toen. Thans heb ik mijn schuld aan meester Gribnau ingelost door het poëtische sprookje ademloos uit te lezen.

Kijk niet met je ogen, maar met je hart

Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944), luchtvaartpionier, vliegenier, avonturier, journalist en romancier, schreef De Kleine Prins tijdens een verblijf in New York, kort voor de Tweede Wereldoorlog. Zijn creatie behoort tot de meest vertaalde werken uit de Franse literatuur en stond in 1999 op de vierde plaats in Le Monde’s lijst van de beste boeken van de eeuw.

De ik-persoon, een vliegenier die strandt  in de Sahara, verhaalt over zijn speelse dialogen met een filosofisch en melancholisch manneke, dat zijn eenzame plek aan de Melkweg verliet om een ontdekkingsreis te maken langs andere planeten. Hij valt van de ene in de andere verbazing. Over alle grote mensen die hij ontmoet, zegt hij: ‘Ze zijn beslist zéér, zéér bizar’. Ze streven naar macht om de macht, vergaren geld om het geld, tutten zichzelf op om hun spiegelbeeld te behagen en zijn het verleerd om te kijken met hun hart, zoals kinderen dat doen – onbevangen en onbevooroordeeld.

Wijze lessen van de De Kleine Prins

Als middelbare scholier was ik weinig ontvankelijk voor de lessen die je kunt trekken uit de levensvragen die De Kleine Prins op zijn tijdelijke vriend in de woestijn afvuurt.  Liever dan op te letten en na te denken, kwaakte ik erop los om meester Gribnau het leven zuur te maken. Nu dacht ik bij elke bladzijde: wat een tijdloze observaties! Wat passen ze wonderwel bij de huidige tijdgeest, waarin miljoenen ijdeltuiten hun achterste laten zien op Facebook en Instagram, hippe bitcoinspeculanten zich schathemeltjerijk rekenen en op macht beluste bullebakken de ene na de andere platte tweet de wereld insturen.

Le Petit Prince heeft me de ogen geopend. Als ik tijdens de feestdagen mijn tuin in loop en naar de Franse sterrenhemel kijk, weet ik dat De Kleine Prins in mezelf is wakker gekust. Ik werp alle ballast van me af en denk: nous, les grandes personnes sommes décidément très très bizarres!

Dit artikel staat ook in DROP, een papieren Frankrijk-magazine met een indrukwekkende oplage van 700 exemplaren en ongeveer evenveel betalende abonnees.
Kijk op de website van DROP.

Voor hetzelfde magazine schreef ik eerder Ik heb er de ballen niet voor

 

 

Tournedos Rossini

Tournedos Rossini – de ‘Cartier’ onder de hamburgers

Ik noem hem de Cartier onder de hamburgers: de tournedos Rossini, een onvoorwaardelijke klassieker uit de Franse keuken, vernoemd naar de grote Italiaanse operacomponist. Qua vorm en opbouw doet hij in alle opzichten aan de fastfood-evergreen denken, maar wat hij met je smaakpapillen doet, is van een andere dimensie.
Je waant je in de zevende hemel.

Tournedos Rossini

Verhalen over het ontstaan van de tournedos Rossini, en vooral over de oorsprong van het begrip ‘tournedos’, lopen uiteen. We kennen de tournedos nu als een rond stukje ossenhaas van twee tot drie vingers dik, dat op zijn sappigst is als het kort op hoog vuur om en om gebakken wordt, maar toen Gioacchino Rossini in een van zijn favoriete restaurants de kiem legde voor een nooit eerder bereid gerecht, bestond het begrip nog niet.

Gewijde muziek en gastronomie

Het verhaal ging ongeveer zo, volgens de Larousse gastronomique. Rossini vestigde zich in 1824 in Parijs, hevig teleurgesteld in zijn publiek. Dat had zijn laatste opera, Semiramide, slecht ontvangen en dat lag de gevierde componist zwaar op de lever.

Hij legde zich toe op het componeren van gewijde muziek en zocht troost aan de tafels van de meest vermaarde restaurants. Op een dag keek hij in zijn favoriete restaurant op de kaart. Het menu kon hem niet boeien. Hij wilde wel eens wat anders, het liefst een revolutionaire, copieuze compositie met foie gras en truffel, voor hem de meest goddelijke ingrediënten op aard. Hij ontbood de chef aan zijn tafel en de heren smoesden wat.

Die chef was, wederom volgens de Larousse, ene Casimir Moisson en het restaurant heette Maison Dorée, gevestigd in een schitterend gebouw op de hoek van de rue Lafitte en de boulevard des Italiens. In die dagen was Maison Dorée het episch centrum van politiek en cultureel Parijs. Het restaurant bestaat niet meer, het gebouw nog wel. De art nouveau gevels bleven staan en werden opgeknapt, het interieur werd omgetoverd tot modern handelscentrum.

‘Tournez-mois le dos!’

Casimir Moisson deed een suggestie die in goede aarde viel bij de Italiaanse componist die erop stond dat de chef het nieuwe gerecht bij hem aan tafel kwam bereiden, maar dan wel met zijn rug – le dos – naar zijn tafelgenoten, zodat de verrassing zo groot mogelijk zou zijn. Zodra de chef aan de slag ging, bedacht Rossini zich. Hij wilde zelf verrast worden en toeleven naar een spetterende finale.  Hij riep, tot ontsteltenis van iedereen: ‘Draai je toch maar om, tournez-moi le dos!’ Waar gebeurd of nepnieuws? Wie zal het zeggen. Er doen andere verklaringen de ronde, maar ik verlaat me op de gastronomische encyclopedie.

De Cartier onder de hamburgers werd met liefde gecomponeerd. De ouverture, die het meesterwerk zou dragen, was ontwapenend eenvoudig: licht geroosterd zoet brood, rond van vorm. In plaats van de inferieure rundertartaar van de meeste hamburgerketens, werd de ronde boterham belegd met een malse, om en om gebakken tournedos, besprenkeld met een truffeljus, afgeblust met madera. En als sluitstuk – géén spek of kaas en al helemaal geen salade, ui of tomaat – maar een versgebakken escalope van ganzenlever, afgewerkt met truffelschaafsel.

Dát is Frans eten! Maar de eerlijkheid gebiedt erbij te zeggen dat eetgelegenheden als McDonalds en Hamburger King tegenwoordig voller zitten dan de klassieke Franse restaurants.

Rossini

Rossini, een corpulent multi-talent