Een bekentenis uit Frankrijk

De mens is een verzamelaar. Zien we iets eetbaars, dan schieten we in de overlevingsstand.  Dikwijls veroorzaakt dit oerinstinct kortsluiting. Je bent enkele seconden ontoerekeningsvatbaar, zeg maar. Kom je bij je positieven, dan treedt de schaamte in. Een bekentenis uit Frankrijk.

Een bekentenis uit Frankrijk

Wie treft meer blaam?

Degene die een ander aanzet tot een snode daad? Of diegene die onvoldoende ruggengraat toont en de zonde begaat? Oordeel zelf naar aanleiding van deze bekentenis uit Frankrijk, die ik met de grootst mogelijke schaamte aan mijn beeldscherm toevertrouw. Aanleiding is het jaarlijkse Fête de la Citrouille in Saint-Laurent, een plaatsje van niks in de buurt van Guéret waar de prefectuur van de Creuse gevestigd is. Eén zondag per jaar, medio oktober, fleurt Saint-Laurent op. Dan sleept men van heinde en verre pompoenen aan. In alle vormen, maten en soorten.

Telkens als ik de aankondiging van het pompoenfestijn zie, stijgt me het schaamrood naar de kaken. Dan denk ik schroomvallig terug aan mijn persoonlijke moment van verstandsverbijstering. Hoe lang geleden? Tien jaar, op zijn minst. Al die tijd zweeg ik erover. Ik ben nu op een punt in mijn leven aanbeland, dat ik schoon schip wil maken. Met deze bekentenis uit Frankrijk gooi ik alles eruit. Bij de hoon van mijn lezers leg ik me neer. Die heb ik verdiend.

Een decennium geleden, misschien zelfs langer, reden wij door een landelijk plaatsje in de Dordogne. Mijn vrouw riep plotsklaps: ‘Stop, kijk!’. Ik dacht aan een noodgeval en trapte krachtig op de rem. We stonden aan de rand van een diepe tuin. Achterin was een deel van een goed verzorgd, eenvoudig woonhuis zichtbaar. ‘Dáár!’ zei mijn vrouw. Ze wees op een werkelijk kolossale pompoen.

‘Et alors?’ vroeg ik, het laconieke antwoord imiterend waarmee oud-president François Mitterand de roddelpers de mond snoerde toen hij werd aangesproken op zijn amoureuze avonturen. Het Vlaamse magazine Knack noemt dit ‘de mythe van Mitterand en Mazarine‘. Ik houd de beroemde quote er lekker in.

Mijn vrouw somde op wat voor lekkers je kunt maken met een puike pompoen. Ze kent mijn  zwakke plek. Ze begon met een eenvoudige pompoensoep, verrijkt met een toef verse slagroom. Vervolgens diende ze een kruidige pompoenburger op, een couscous met pompoenblokjes, een pompoencurry en een tarte tatin van pompoen. Het water liep me in de mond, maar het kwartje wilde nog niet vallen. Dus zei ik nogmaals: ‘Et alors?’

De pompoen als principekwestie

Dan dringt des poedels kern tot me door. De pompoen ligt buiten de tuin, claimt mijn vrouw. Dat maakt van ons de rechtmatige vinders. Het is een doodzonde om zo’n voedzame voetbal te laten verkommeren. Weet ik wel hoe gezond pompoen is? Heb ik enig idee welke heilzame stoffen in een pompoen geconcentreerd zitten? Een beetje vent raapt zo’n mooie pompoen op voor zijn vrouw. Als het niet zo’n zware jongen was, redde ze hem zelf van zijn kwijnend bestaan.

Inderdaad. De pompoen lag buiten de tuin. Eén uitloper had zich door de omheining gewurmd. De vrucht die zich aan de betreffende steel had gevormd, kon zich in alle rust ontplooien tot een kolossale kalebas. Niemand had er acht op geslagen, zo leek het. Tot dit moment. Het oranje gevaarte lag in het gras van de openbare weg. Maar was het niet inhalig en gênant om hem te kapen? Aan de andere kant van het tuingaas lagen ook pompoenen te glimmen, maar er was er niet één zo sensationeel als deze. Misschien was deze wel bestemd om deel te nemen aan een of ander plaatselijk concours!

Ik houd van mijn vrouw, ik houd van lekker eten. Ik zwichtte. Ik verliet de auto en zette de kofferbak vast open. Schielijk keek ik om me heen. Niemand. Ik zakte door mijn knieën, rukte de steel los en kwam als een gewichtheffer overeind met de kolos. Het voelde of ik een stevige baby in mijn armen had.

Door schaamte verteerd

Bij het huis achterin de tuin, zag ik tot mijn schrik, sloegen deuren open. Een vrouw in een schort rende met veel misbaar mijn kant op. Ik draaide me laf om en strompelde naar de auto. Met de vrucht die zij nooit dragen zou. Toen ik net weer achter het stuur zat, had de vrouw des huizes de afscheiding bereikt. Ik keek haar recht in de ogen. Ze leek te verbouwereerd om iets te zeggen of te roepen. Ik trok op alsof mijn leven ervan afhing. Het heeft nog minstens een uur geduurd voor het schaterlachen op de passagierszetel naast me verstomde.

Weken achtereen aten we pompoensoep, couscous met pompoen, pompoenburgers, pompoencurry en tarte tatin van pompoen. Bij iedere hap zag ik het ongeloof en de ontsteltenis in de ogen van de vrouw die moest beleven dat een laffe idioot er met háár kalebas vandoor ging. Lange tijd werd ik door schaamte verteerd. Deze bekentenis uit Frankrijk maakt het voor mij gemakkelijker om binnenkort eens bij haar aan te kloppen en uit te leggen dat de mens een verzamelaar is. Om begrip te vragen voor het feit dat het leven keuzemomenten kent, waarbij ons oerinstinct wint van ons gezonde verstand. Om aan te geven dat ik ook maar een mens ben. Ik zak dan voor een tweede maal door mijn knieën en vraag haar om vergiffenis.